Overdenkingen

Audiëntie van Paus Benedictus XVI, 17 augustus 2011
Tenhemelopneming van Maria en over het innerlijk gebed

Dierbare broeders en zusters,

We staan nog in het licht van het feest van Maria Tenhemelopneming, een feest van hoop. Maria is in het Paradijs aangekomen en dat is onze bestemming: wij kunnen allemaal in het Paradijs komen. De vraag is, hoe. Maria is er; Zij is “degene die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is”, zegt het Evangelie (Lc. 1, 45). Maria heeft dus geloofd, Zij heeft zich aan God toevertrouwd, Zij is met haar volle wil toegetreden tot de wil van de Heer en was zo werkelijk op de rechte weg, de weg naar het Paradijs. Geloven, zich toevertrouwen aan de Heer, toetreden tot Zijn wil: dat is het wezenlijke doel.

Vandaag zou ik niet willen spreken over heel deze geloofsweg, doch uitsluitend over een beperkt aspect van het gebedsleven, dat een leven van contact met God is, namelijk de meditatie. En wat betekent meditatie? Dat betekent “in herinnering brengen” wat God gedaan heeft en Zijn talloze weldaden niet vergeten  1 . Dikwijls zien wij alleen de negatieve dingen; wij moeten ook de positieve in ons geheugen bewaren, de gaven die God ons gegeven heeft, aandachtig zijn voor de positieve tekens die van God komen en ze in herinnering brengen. We spreken dus over een vorm van gebed die in de christelijke traditie “innerlijk gebed” genoemd wordt. We kennen gewoonlijk het gebed met woorden, en natuurlijk moeten hart en geest in dat gebed ook aanwezig zijn, maar vandaag spreken wij over een meditatie die niet uit woorden bestaat, maar die een contactneming is van onze geest met Gods hart. En hier is Maria een zeer realistisch voorbeeld. De evangelist Lucas herhaalt meermaals “Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf” (Lc. 2, 19)  2 . Als iemand die waakt, die niet vergeet, is Zij aandachtig voor al wat de Heer Haar gezegd en gedaan heeft, en mediteert Zij, dat wil zeggen, Zij neemt contact met verschillende dingen, Zij verdiept ze in Haar hart. Zij die dus “geloofd heeft” wat de Engel haar heeft aangekondigd en die zich tot werktuig heeft laten maken zodat het eeuwige Woord van de Allerhoogste zou kunnen mens worden, heeft het bewonderenswaardige wonder van de Goddelijk-menselijke geboorte ook in Haar hart ontvangen, Zij heeft erover gemediteerd, Zij is in Haar overweging blijven stilstaan bij wat God in Haar aan het bewerken was, om de Goddelijke wil in Haar leven te ontvangen en te beantwoorden. Het mysterie van de menswording van Gods Zoon en van Maria’s moederschap is zo groot dat het van Maria een proces vereist van verinnerlijking, Maria probeert het beter te begrijpen, er de zin van te vatten, de aspecten en implicaties van te begrijpen. Zo heeft Maria, dag na dag, in de stilte van het gewone leven, de bewonderenswaardige gebeurtenissen waarvan Zij getuige geweest is, in Haar hart blijven bewaren, tot en met de extreme beproeving van het kruis en de heerlijkheid van de verrijzenis. Maria heeft Haar leven, Haar dagelijkse taken, Haar zending als Moeder ten volle beleefd maar Zij heeft in zich ook een innerlijke ruimte weten te bewaren om na te denken over het woord en de wil van God, over wat in Haar plaatsvond, over de mysteries van het leven van Haar Zoon. In onze tijd worden wij opgeslorpt door talloze activiteiten en bezigheden, zorgen en problemen; men probeert dikwijls de dag te vullen, zonder een ogenblik stil te staan en na te denken en zijn geestelijk leven, het contact met God te voeden. Maria leert ons dat het noodzakelijk is in onze dagen met al onze activiteiten, momenten te vinden om ons in stilte terug te trekken en te mediteren over wat de Heer ons wil leren, over de manier waarop Hij aanwezig is in de wereld en in ons leven werkzaam is: bekwaam zijn een ogenblik stil te staan en te mediteren. De heilige Augustinus vergelijkt de meditatie van de mysteries van God met het opnemen van voedsel en gebruikt een woord dat in heel de christelijke traditie terugkeert: “herkauwen”, dat wil zeggen dat de mysteries van God voortdurend in ons moeten weerklinken zodat we er vertrouwd mee worden, ons leven richting geven, ons voeden zoals het nodige voedsel ons voedt. De heilige Bonaventura zegt met betrekking tot de woorden van de Heilige Schrift, dat zij “altijd moeten herkauwd worden om kunnen gesmaakt te worden en er onze geest vurig op toe te leggen”  3 . Mediteren betekent dus in ons een toestand van stille overpeinzing creëren, van innerlijke stilte, om na te denken, om de mysteries van ons geloof en wat God in ons bewerkt, te verwerken; en niet alleen de dingen die komen en gaan. We kunnen op verschillende manieren “herkauwen”, bijvoorbeeld door een kort stukje uit de Heilige Schrift te nemen, vooral uit de Evangeliën, de Handelingen van de Apostelen, de Brieven van de apostelen, of ook een bladzijde van een geestelijke schrijver die ons dichter bij Gods werkelijkheid en bij onze tijd brengt, ons daarbij laten adviseren door een biechtvader of geestelijke leider, lezen en nadenken over hetgeen we gelezen hebben, er blijven bij stilstaan, proberen te begrijpen, te begrijpen wat ons dit zegt, wat dit vandaag zegt, onze ziel openen voor wat de Heer ons wil zeggen en leren. Ook de rozenkrans is een meditatief gebed: bij het herhalen van het Weesgegroet, worden we uitgenodigd een bepaald mysterie te herdenken en erover na te denken. Maar we kunnen ook blijven stilstaan bij een intense geestelijke ervaring, bij woorden die ons getroffen hebben in de Eucharistie op de zondag. U ziet dus dat er vele manieren zijn om te mediteren en zo contact te nemen met God, tot God te naderen en zo onderweg te zijn naar de Paradijs. Dierbare vrienden, de volharding om aan God tijd te geven is een fundamenteel element voor de geestelijke groei; het zal de Heer zelf zijn die ons smaak zal geven in Zijn mysteries, in Zijn woorden, Zijn aanwezigheid en werking, die ons laat voelen hoe mooi het is wanneer God met ons spreekt; dat zal ons dieper laten begrijpen wat Hij van ons wil. Op het einde – en dat is precies het doel van meditatie: ons steeds meer in Gods handen overgeven, met vertrouwen en liefde, ervan verzekerd dat wanneer we Zijn wil doen, wij uiteindelijk werkelijk gelukkig zijn

 top 

Z. Paus Johannes Paulus II
Homilie
18 mei 1985
© 1985, Uitgeverij Altiora Averbode – Initiatief van de Belgische Bisschoppen

Eucharistieviering te Beauraing. Priesters, religieuzen en seculiere instituten zijn in het bijzonder uitgenodigd
Over de christelijke roeping

‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat gij de Vader moogt vragen, Hij zal het u geven in mijn naam” (Joh. 16, 23)

Ziedaar, beste Broeders en Zusters, de woorden die wij zopas hebben gehoord in de liturgie. Christus heeft deze woorden gesproken tot zijn Apostelen, in het Cenakel, op de vooravond van zijn lijden, en ook met het oog op zijn heengaan, de Hemelvaart. “Ik ben van de Vader uitgegaan, en in de wereld gekomen; weer verlaat Ik de wereld, en ga naar de Vader” (Joh. 16, 28).

In dit perspectief wordt de oproep van Christus bijzonder veelzeggend. Met alle brandende ijver van zijn hart, nodigt Christus uit tot gebed, meer nog: Hij vraagt dat men zou bidden, en Hij dringt er zelfs op aan. Ditmaal spreekt Hij niet meer in parabels, maar rechtstreeks: tot de Apostelen spreekt Hij openlijk over de Vader. Immers, oproepen tot het gebed is een bijzondere manier om over de Vader te spreken, want dat betekent: “De Vader zelf heeft u lief omdat gij Mij liefhebt en gelooft, dat Ik van God ben uitgegaan” (Joh. 16, 27). Ja, de toegang tot God is wijd open gesteld. Dus, “vraagt en gij zult verkrijgen, opdat uw vreugde volkomen zij” (Joh. 16, 24).

Na de Hemelvaart van de Heer, keert de hele Kerkgemeenschap naar het Cenakel terug, om biddend te wachten op het nederdalen van de Heilige Geest, op Pinksterdag. Het is op dat uitgelezen ogenblik dat wij naar Beauraing komen. Wij zijn hier verzameld om uit één hart te bidden, zoals de Apostelen met Maria, de Moeder Gods.
Sinds meer dan vijftig jaar reeds, is deze plaats een belangrijk Maria-bedevaartsoord voor heel België en voor de buurlanden. Het is een bevoorrecht oord van gebed en vernieuwing, waar de gelovigen de aanwezigheid van Maria — de Onbevlekte Maagd, de Koningin van de Hemel — en Haar machtige voorspraak voor de bekering van de zondaars, bijzonder aanvoelen. Om de bedevaarders te ontvangen, hebt u dit openluchtheiligdom van het Mariabeeld aangelegd, hebt u een kapel gebouwd in wier stenen de oorsprong van de bedevaart geschreven staat, en hebt u vervolgens een grote kerk gebouwd. U hebt een opvangtehuis geopend voor zieken, het “Castel Sainte-Marie” voor de retraitanten, en een bezinningsoord. Dat alles verheugt mij omdat het de Maagd Maria is, die wordt vereerd door uw gelovige houding, en door uw gezamenlijke gebeden. En met haar worden haar goddelijke Zoon, God de Vader en de Heilige Geest verheerlijkt, en komt de Kerk dichter bij de bron des Heils. Het is goed dat elke streek een of meer Maria-heiligdommen bezit, die zijn opgericht om een bijzondere reden, met instemming van de verantwoordelijke bisschoppen. Daar krijgt de verering van Maria gestalte. Zij is uiterst belangrijk voor het katholiek geloof en is duidelijk in het licht gesteld door het Tweede Vaticaans Concilie bij het begin van de Constitutie over de Kerk. Maria “heeft tot het werk van de Heiland op een ongeëvenaarde wijze bijgedragen, door haar gehoorzaamheid, haar geloof, haar hoop en haar vurige liefde, opdat de zielen het bovennatuurlijke leven zou worden teruggegeven. Daarom is Zij, op het vlak van de Genade, onze Moeder geworden… Na haar Tenhemelopneming, wordt haar rol in het heilsgebeuren niet onderbroken. Door haar herhaalde voorspraak blijft Zij voor ons gaven verkrijgen, waardoor we ons eeuwig heil bereiken” . En hoewel Zij op sommige ogenblikken en sommige plaatsen meer in het bijzonder de aandacht van haar kinderen trekt, door feiten waarvan de interpretatie wordt onderworpen aan het oordeel van het Hoogste Leergezag van de Kerk, is de Moeder Gods voortdurend aanwezig in de zending van Christus en van de Kerk. In dit heiligdom, oord van voortdurend gebed met Maria, is haar aanwezigheid als het ware op een bijzondere wijze geconcentreerd.
Dankzeggen is het eerste doel van het gebed.

Welk is het voorwerp van het gebed van de Kerk, die in het Cenakel van Jeruzalem moet worden geboren? De liturgie van vandaag leert ons dat de Kerk, voor alles, dank betuigt: ‘Wij danken U, Heer, God, Albeheerser, die Zijt en die waart, dat Gij uw grote macht gegrepen en uw koningschap aanvaard hebt.” (Openb. 11, 17) De Kerk zegt dank voor het messiaanse Paasmysterie. Zij zegt dank voor het Kruis — want dank zij het Kruis heeft Christus gezegevierd — en zij zegt dank voor de Verrijzenis — want in de Verrijzenis heeft Hij de macht van God over de dood geopenbaard en definitief zijn Rijk in de geschiedenis van de mens en de wereld ingeluid.

De Kerk zegt dus dank voor het werk der Verlossing: “Nu is gekomen het heil en de macht en het koningschap van onze God en de heerschappij van zijn Gezalfde” (Openb. 12, 10). De Kerk zegt dank voor het werk der rechtvaardiging van de mens voor God, “want de aanklager van onze broeders is neergeworpen, die hen aanklaagde bij onze God, dag en nacht” (Openb. 12, 10).
Door zijn Kruis en Zijn Verrijzenis, heeft Christus de mens gerechtvaardigd, die Satan onafgebroken bleef — en blijft — “beschuldigen”, door over hem de macht van zijn geloofsverzaking tegenover God, het mysterie van de ongerechtigheid en de kracht van de zonde uit te spreiden.
Zo hebben de mensen, kinderen van Adam, “hem overwonnen door het Bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, want zij hebben hun leven geminacht, ten dode toe” (Ap. 12, 11). De Kerk zegt dank voor het blijvend apostolisch getuigenis, generatie na generatie.

Wij danken ook, verenigd in deze gebedsgemeenschap met Maria, de Moeder van de Kerk, te Beauraing. Wij gedenken ook de trouw en de moed van zovele gelovigen op deze grond sinds vele eeuwen.
Onophoudelijk mogen geboren worden uit de Heilige Geest is de eerste vraag van wie bidt.
En terzelfdertijd, verenigd in gebed, doet de Kerk een verzoek. Wat vraagt zij? Dat wat ze ook al in die dagen in het Cenakel van Jeruzalem vroeg. Ze vroeg zeker te mogen geboren worden als Kerk, te mogen geboren worden uit de Heilige Geest. En wat vraagt zij vandaag, hier, in Beauraing? Wat zou zij moeten vragen?

Ik denk dat zij hetzelfde vraagt — zou moeten vragen. Immers, de Kerk die voorheen is geboren uit het Kruis van Christus en uit de Heilige Geest, wordt nog steeds en voortdurend geboren uit het Kruis van Christus en uit de Heilige Geest. Voortdurend. In elke generatie. Overal. In elke natie.
Zij leeft door de kracht waaruit ze is ontstaan. Zij herleeft en ontwikkelt zich in de verschillende tijdperken. Voortdurend poogt zij “de eenheid des geestes te behouden door de band van de vrede”… er is slechts “één Lichaam en één Geest”. Er is slechts “één Heer, één geloof, één doopsel, één God en Vader van allen, die boven allen is, en met allen handelt en in allen aanwezig is” (Ef. 4, 3-6).
De Kerk probeert die eenheid voortdurend te behouden! Een eenheid die zij kreeg van God! En waarvoor zij steeds vuriger bidt.
Zij bidt in naam van deze “unieke hoop”, waartoe wij werden opgeroepen. In naam van de hoop die wij uit onze roeping putten.
Waar er hoop is, wordt het gebed geboren; waar het gebed wordt geboren, is er nieuwe hoop.

De inhoud van deze hoop en van het gebed is onze roeping in Jezus Christus; onze christelijke roeping. Wanneer wij vandaag bidden voor de steeds hernieuwde geboorte van de Kerk in dit land, op het einde van het tweede millenium na Christus, aangepast aan de noden van onze tijd en daardoor ook aangepast aan de immense hoop die we uit onze christelijke roeping putten, bidden wij opdat de roepingen talrijk zouden zijn.
“Aan ieder van ons afzonderlijk is de genade verleend naar de maat van Christus’ gave”. Het volk van God legt het zo aan boord dat alle ambtstaken in de Kerk vervuld worden “tot opbouw van het Lichaam van Christus” (Ef. 4, 7.12).

In de Kerk, het Volk Gods, zijn alle leden in Christus opgenomen door het Doopsel, zijn ze deelgenoot van Zijn leven door de sacramenten en van zijn priesterlijke, profetische en koninklijke functie. Zij zijn allen geroepen tot de heiligheid en oefenen in de Kerk en in de wereld de zending uit van het gehele christelijke volk. Ieder heeft zijn deel in het apostolaat. Dat is de christelijke roeping voor allen. Maar de persoonlijke roepingen zijn alle verschillend. De Heilige Geest “verspreidt onder de gelovigen van alle rangen, de bijzondere gaven die iemand geschikt en beschikbaar maakt om de verschillende ambten en diensten te vervullen die nuttig zijn voor de vernieuwing en de ontwikkeling van de Kerk”. Driemaal heb ik hier in België — te Antwerpen, Laken en Luik — de kans om met leken te spreken over hun christelijke zending in de Kerk en in de wereld. Vandaag zullen wij meer bepaald aandacht besteden aan de priester- en kloosterroepingen.
Priesters en kloosterlingen: dank God voor de geschonken gave
Ja, het is met grote vreugde en vol genegenheid dat ik hier, naast de bisschoppen van België, de vele priesters, diakens, seminaristen, kloosterlingen en zusters, leden van Instituten van apostolisch en missieleven, en leden van seculiere instituten begroet.

Beste vrienden, ik wil u in de eerste plaats uitnodigen om God te danken. Hij heeft u een onschatbare gave geboden, door u te vragen alles achter te laten om Hem te volgen en Hem op deze wijze te dienen. Deze oproep kan op vele manieren zijn ervaren: dat behoort tot ieders verborgen geschiedenis. Vervolgens heeft de Kerk deze oproep voor echt verklaard. Herinner u de weldaden van de Heer en laat uw passen leiden door de hoop. De Heer betreurt zijn gaven niet. Op de weg van het priester- en kloosterleven zult u natuurlijk het kruis treffen, zoals Christus, zoals Maria. U lijdt onder de tegenstand die het Evangelie ontmoet, terwijl u het aan de wereld kenbaar moet maken. U lijdt ook onder uw vermoeidheid en beperktheid, uw zwakheden soms. Maar kijk vol vertrouwen op naar Hem die u geroepen heeft en die u nabij is; die in en door u handelt, dank zij de Heilige Geest. Verheug u erover zo dicht bij Christus te staan en zo nuttig te zijn voor de Kerk. Zelfs indien u vaak geen resultaten ziet van uw ambt, moet u zich verheugen omdat, zoals Jezus het zei tot zijn apostelen, uw namen geschreven staan in de hemel. Indien u trouw bent, zult u de vrede van Christus steeds vinden. Deze woorden die Jezus tot zijn Apostelen sprak, gelden in het bijzonder voor u: “De Vader zelf heeft u lief omdat gij Mij hebt liefgehad.” (Joh. 16, 27). U kent de wegen van de trouw. Laat het gebed de kern van uw leven zijn. Leef in nauwe verbondenheid met Christus. Beleef samen met Hem alle ontmoetingen of handelingen van uw apostolaat. Blijf onderling verenigd, zodat niemand onder u broederlijke steun moet missen.
Behoud uw eigen specifieke identiteit.

Maar doe vooreerst de gave herleven die u heeft ontvangen. Plaats geen vraagteken achter uw bijzondere identiteit te midden van Gods volk. Blijf bescheiden, — want het is een gave Gods — maar ook vastberaden bewust van uw roeping. De leken zelf hebben er behoefte aan dat u trouw blijft aan uw roeping. Voor u en voor hen wil ik deze met enkele woorden in herinnering brengen.

Vrienden priesters, u weet hoe onmisbaar uw ambtelijke functie is voor de Kerk. U staat de Bisschop bij in zijn ambt om — op een bijzondere wijze — deel te hebben in de taak van de enige Middelaar die Christus, het Hoofd van de Kerk, is en om in Zijn naam te handelen met het oog op het bovennatuurlijke heil van alle gedoopten, deelgenoten van zijn Lichaam. De apostel Paulus schreef aan de Efesiërs: “Hij heeft ook gaven gegeven: sommigen maakte Hij apostelen, anderen profeten, anderen evangelisten, weer anderen herders en leraars” (Ef. 4, 11).
U kondigt het Woord Gods aan; u heiligt de gelovigen door de Sacramenten; u verzamelt hen en leidt hen in navolging van de Goede Herder, ervoor zorgend dat geen enkel schaap door uw schuld verdwaalt. Deze heilige functie is van die aard dat ze niet alleen enkele ogenblikken van uw leven of enkele gebaren betreft, maar vereist dat wij onze hele persoon, ons leven en onze Liefde aan Jezus Christus wijden. Dat mysterie is groot!

En u, beste kloosterlingen, volgens de Evangelische Raden hebt u alles achtergelaten om Christus te volgen. Gij hebt een levenswijze gekozen die u moet toelaten die Raden elke dag te incarneren. Deze kloostergeloften zijn onafscheidelijk verbonden met het leven en de heiligheid van de Kerk. In een wereld die heel wat vormen van slavernij kent, of die zich druk maakt over rijkdom die van bijkomstig belang is, kunt u het radicalisme, de vrijheid van het Evangelie, de gehoorzaamheid en de armoede van Christus verkondigen. In een wereld die vastgeklonken zit aan het onmiddellijke, die zijn horizon beperkt tot de aardse werkelijkheid, die in vervoering geraakt over zijn veroveringen of, integendeel, de prooi is van wanhoop, kondigt u de komst van het Rijk Gods aan. In een wereld die twijfelt, of zich ver weg van God voelt, toont u dat Hij waard is dat men van Hem houdt, om Hemzelf, zonder tegenprestatie. Nu reeds wijdt u Hem alle rijkdommen van het hart toe. En u bent vrij voor het gebed, in het hart van de Kerk, of voor de talrijke vormen van apostolaat en diensten van de christelijke gemeenschap, die een fundamentele beschikbaarheid vereisen.
Ik denk tegelijkertijd aan allen die in de lekeninstituten hun leven aan God wijden. Het Concilie stelde dat het kloosterleven een teken is dat een doeltreffende invloed kan en moet uitoefenen op alle leden van de Kerkgemeenschap, door het moedig volbrengen van de plichten van de christelijke roeping .

Ik nodig alle hier aanwezige christenen, alle Christenen van België, ertoe uit uw priester- of kloosterroeping naar waarde te schatten, er dankbaar voor te zijn, u te steunen en voor u te bidden. Een Kerk zonder priesters is echt niet denkbaar. En een Kerk zonder kloosterlingen zou het zonder een niet te evenaren getuigenis moeten stellen.
Uw voorbeeld zal nieuwe roepingen wekken.
“De oogst is groot, maar werklieden zijn er weinig” (Lc. 10, 2). Wat ons bijzonder ter harte gaat zijn de nieuwe roepingen. Hoe zullen wij ze vinden? De apostel Paulus heeft gezegd: “Ik, de gevangene in de Heer, vraag u met aandrang: leidt een leven dat beantwoordt aan de roeping die gij van God ontvangen hebt” (Ef. 4, 1).

Ik wil deze aansporing voor u herhalen: het gedrag dat beantwoordt aan uw christelijke, priesterlijke of kloosterlijke roeping, doet nieuwe roepingen ontstaan. Dit coherent gedrag is als een voortdurende gebedsbasis: het bereidt het gebed voor en het gebed is er de ontplooiing van, en omgekeerd vraagt het gebed voortdurend om dit gedrag.
De roepingen van priesters en kloosterlingen veronderstellen, in de gezinnen, in de kerkelijke gemeenschappen, een christelijke sfeer, een bezinning over het Evangelie en een glashelder getuigenis. Aan de rijke jonge man heeft Christus in de eerste plaats gevraagd of hij de geboden naleefde. In de eerste plaats moet men een rechtlijnig, gewetensvol leven leiden, dat bekroond wordt door de beslissing zijn leven te geven, als een totaliteit. Deze roepingen veronderstellen dus een bekommernis om deugdzaam te leven en een op dienstbaarheid gerichte opvoeding, die aanspoort tot het edelmoedig wegschenken van de eigen persoon. Ze veronderstellen dus in de eerste plaats een klimaat van gebed, de gewoonte met Christus om te gaan, waardoor de jongen of het meisje van jongsaf aan worden doordrongen. De priesters, de diakens, de kloosterlingen en de zusters dragen een bijzondere verantwoordelijkheid in het doen ontwaken en het steunen van de roepingen. Indien ze werkelijk blijk geven van hun vreugde Christus op die wijze te kunnen dienen; indien ze dankzij hun geloof hoop uitstralen, ondanks hun vermoeidheid; indien ze de zielen werkelijk toegewijd zijn en ze kunnen inwijden in het gebed waarvan hun eigen leven doordrongen is: hoe zou men er dan aan twijfelen dat rondom hen roepingen zullen ontstaan? En zoals ik in mijn brief tot de priesters dit jaar heb gevraagd: laten we dicht bij de jongeren staan, want velen van hen zoeken naar een zin voor hun leven. Laten we hen uitnodigen om mee te werken aan onze pastorale activiteiten, liturgische vieringen, catechese, armen- en ziekenzorg, animatie in onze bewegingen. Laten we hen uitnodigen om aan ons religieus leven deel te nemen: “Kom en zie”. Maar wees ook niet bang om tot deze dienst uitdrukkelijk op te roepen. We moeten ophouden pessimistisch of gelaten te zijn; of verlegen om over roepingen te spreken. Het zaad is ongetwijfeld aanwezig in de harten van vele jongeren, maar het wacht op een geschikt ogenblik om te kiemen.
En laten we deze intentie in ons gebed niet vergeten: bidden we en laten we bidden voor priester- en kloosterroepingen. Geheel de Kerk heeft echt behoefte aan zo’n gebed. De Kerk van uw vaderland heeft er behoefte aan voor zichzelf en om haar missionaire steun te kunnen blijven geven aan de andere Kerken. “Vraag de Heer van de oogst dat hij werklieden zendt naar zijn oogst.” (Lc. 10, 2).

Daarom zijn wij hier verenigd zoals de Apostelen na de Hemelvaart.
Laten we bidden met Maria, O. L. Vrouw van Beauraing. Zij is de eerste die geroepen werd op de drempel van het Nieuwe Testament. Zij is het toonbeeld van een hart dat God bevalt, dat met God vertrouwd is. Zij blijft voor de priesters het model van de samenwerking met Christus, van de beschikbaarheid voor de Heilige Geest. Zij is het toonbeeld van een leven dat gewijd is aan de Heer. Zij richt de leerlingen naar Christus opdat zij zich met liefde aan Hem zouden hechten en opdat zij alles zouden doen wat Hij hen zegt. Samen met Haar is het gemakkelijk te zeggen in het Onze Vader: “Uw wil geschiede”. Met Haar volgen wij in het rozenhoedje, stap voor stap de blijde, droeve en glorierijke mysteries van haar Zoon, haar eigen leven. Samen met Maria stellen wij ons hart open voor de Heilige Geest. Laten we bidden in de naam van Christus. Misschien hebt u tot nog toe niet genoeg gevraagd bij het aanroepen van de naam van Christus? Blijft u ervan overtuigd: “Voor God is niets onmogelijk” (Lc. 1, 37)!

“Vraagt en gij zult verkrijgen opdat uw vreugde volkomen zij” (Joh. 16, 24).
Ja, de roepingen zijn de vrucht van het gebed, zij zijn de bron van vreugde voor de Kerk.

Amen

 top 

Paus Benedictus XVI

Audientie van 15 juni 2011, 6e catechese in de reeks over het christelijk gebed

Elia

Dierbare broeders en zusters,

In de religieuze geschiedenis van het oude Israël hebben de profeten door hun onderricht en prediking een zeer aanzienlijke rol gespeeld. Onder hen springt de persoon van Elia naar voor, die God had doen opstaan om het volk tot bekering te brengen. Zijn naam betekent “de Heer is mijn God” en het is in overeenstemming met die naam dat heel zijn leven zich afspeelt, dat er helemaal aan gewijd is, in het volk de erkenning te wekken van de Heer als de ene God. Over Elia zegt Jezus Sirach: “Toen stond Elia op, een profeet als een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel” (Sir. 48, 1). Met deze fakkel vindt Israël zijn weg naar God terug. In dienst van God, bidt Elia: hij roept de Heer aan opdat hij de zoon van een weduwe die hem onderdak gegeven had, weer tot leven brengt  1 , hij schreeuwt tot God zijn ontmoediging en angst uit wanneer hij naar de woestijn vlucht, gezocht en ter dood veroordeeld door koningin Izebel  2 , doch het is vooral op de berg Karmel dat hij heel zijn kracht als voorspreker ten toon spreidt: ten overstaan van heel Israël bidt hij de Heer dat Hij zich zou manifesteren en het hart van het volk bekeren. Het is de geschiedenis in hoofdstuk 18 van het Eerste Boek der Koningen, waarbij wij vandaag blijven stilstaan.

We bevinden ons in het Noordrijk, in de IXe eeuw voor Christus, ten tijde van koning Achab, op een ogenblik dat in Israël een toestand van openlijk syncretisme was ontstaan. Naast de Heer, aanbad het volk ook Baäl, de afgod die tot bedaren brengt en die – zo dacht men – regen gaf; om die reden werd hem de macht toegeschreven vruchtbaarheid te geven aan de velden en leven aan mensen en vee. Terwijl het beweerde de Heer te volgen, de onzichtbare en geheimvolle God, zocht het volk ook zekerheid bij een begrijpelijke en voorspelbare god, van wie het dacht vruchtbaarheid en welvaart te verkrijgen in ruil voor offers. Israël gaf toe aan de verleiding tot afgoderij, de voortdurende bekoring voor de gelovige, die de illusie koestert “twee heren” te kunnen “dienen”  3  en de onuitvoerbare wegen van het geloof in de Almachtige te vergemakkelijken door zijn vertrouwen ook te stellen in een machteloze god door mensen gemaakt.

Het is precies om de bedrieglijke dwaasheid van zo een houding te ontmaskeren, dat Elia het volk van Israël laat verzamelen op de berg Karmel en het voor de noodzaak plaatst een keuze te maken: “Als Jahwe God is, volgt Hem dan; is het Baäl, volgt dan Baäl” (1 Kon. 18, 21). En de profeet, die drager is van Gods liefde, laat zijn volk ten overstaan van die keuze niet alleen, maar helpt het met een teken dat de waarheid zal openbaren: hij van de ene kant en de profeten van Baäl aan de andere kant, zullen een offer klaarmaken en bidden en de ware God zal zich manifesteren door met vuur te antwoorden dat het offer zal verteren. Zo begint de confrontatie tussen de profeet Elia en de volgelingen van Baäl, in feite tussen de Heer van Israël, God van heil en leven, en de zwijgende, onbestendige afgod die niets kan, noch ten goede noch ten kwade  4 . Zo begint de confrontatie tussen twee totaal verschillende manieren om zich tot God te richten en te bidden.

De profeten van Baäl roepen namelijk, zij maken zich druk, dansen en springen, zij raken zo in een toestand van vervoering dat zij hun lichaam kerven, “met zwaarden en speren, tot het bloed langs hun lijf droop” (1 Kon. 18, 28). Zij nemen toevlucht tot zichzelf om hun god aan te manen, zij stellen vertrouwen in hun eigen capaciteiten om zijn antwoord uit te lokken. Zo komt de bedrieglijke realiteit van de afgod naar boven: hij is door de mens bedacht als iets waarover men kan beschikken, dat men op eigen krachten kan beheren, waartoe men toegang krijgt vertrekkende van zichzelf en van zijn eigen levenskracht. Een afgod aanbidden sluit de persoon op in het exclusieve en wanhopige zoeken van zichzelf in plaats van diens hart open te stellen voor het Andere, voor een relatie die bevrijdt en uit de enge ruimte van zijn egoïsme doet treden om toegang te krijgen tot dimensies van liefde en wederzijdse gave. Het bedrog is zodanig dat de mens zich bij het aanbidden van een afgod verplicht voelt tot extreme handelingen, in de illusoire poging hem aan zijn eigen wil te onderwerpen. Daarom gaan de profeten van Baal zover dat zij zichzelf pijnigen, hun lichaam verwonden, in een gebaar dat dramatisch ironisch is: om een antwoord te krijgen, een teken van leven vanwege hun god, bedekken zij zich met bloed, bekleden zij zich symbolisch met de dood.

Het is een gebedshouding die zeer verschilt van die van Elia. Hij vraagt het volk naderbij te komen en betrekt het zo in zijn eigen activiteit en smeekgebed. De uitdaging die hij tot de profeten van Baäl gericht heeft, had tot doel het volk dat verdwaald was door afgoden te volgen, terug bij God te brengen: daarom wil hij dat Israël zich met hem verenigt, deelgenoot wordt van zijn gebed en van wat komen gaat. Vervolgens richt de profeet een altaar op, gebruik makend van, zoals de tekst zegt, “twaalf stenen, overeenkomstig het aantal stammen van de zonen van Jakob, tot wie Jahwe gezegd heeft: ‘Israël zult gij heten’.” (1 Kon. 18, 31). Deze stenen vertegenwoordigen heel Israël en zijn de tastbare herinnering aan de geschiedenis van uitverkiezing, voorliefde en heil waarvan het volk het voorwerp geweest was. Het liturgische gebaar van Elia heeft een doorslaggevende draagwijdte; het altaar is de heilige plaats die wijst op de aanwezigheid van de Heer, maar de stenen die het altaar vormen, vertegenwoordigen het volk dat nu, door bemiddeling van de profeet, symbolisch tegenover God geplaatst wordt, dat “altaar” wordt, plaats voor de offergave en het offer.

Doch het symbool moet realiteit worden, Israël moet de ware God erkennen en zijn identiteit als volk van de Heer terugvinden. Daarom vraagt Elia aan God dat Hij zich zou manifesteren. De twaalf stenen die Israël moesten herinneren aan zijn waarheid, dienen eveneens om de Heer te herinneren aan Zijn trouw, die de profeet in zijn gebed inroept. De woorden van zijn aanroeping zijn rijk aan betekenis en geloof: “Jahwe, God van Abraham, Isaak en Israël, toon heden dat Gij God zijt in Israël en dat ik, uw dienaar, dit alles op uw bevel gedaan heb. Geef antwoord Jahwe, geef antwoord, opdat dit volk erkent dat Gij, Jahwe, de ware God zijt, en keer zo hun hart weer tot U” (1 Kon. 18, 36-37)  5 . Elia richt zich tot de Heer en noemt Hem God van de vaderen, zo maakt hij impliciet allusie op de Goddelijke beloften en de geschiedenis van de uitverkiezing en het verbond die de Heer onlosmakelijk met Zijn volk verenigd heeft. God neemt zodanig deel aan de geschiedenis van de mensen, dat Zijn Naam voortaan onafscheidelijk verbonden is met die van de aartsvaders. De profeet spreekt deze heilige Naam uit opdat God het zich zou herinneren en trouw zou zijn, maar ook opdat Israël zich door die Naam zou aangesproken voelen en zijn trouw zou hervinden. De Goddelijke titel, door Elia uitgesproken, verwondert namelijk een beetje. In plaats van de gewone formule te gebruiken, “God van Abraham, Isaak en Jakob”, gebruikt hij een minder gebruikelijke: “God van Abraham, Isaak en Israël”. Het gebruik van de naam “Jakob” die deze van “Israël” vervangt, doet denken aan de strijd van Jakob aan de Jabbok en aan de naamsverandering waar de verteller expliciet naar verwijst  6  en waarover ik in één van de vorige catecheses gesproken heb. Deze vervanging krijgt in de aanroeping van Elia een belangrijke betekenis. De profeet is aan het bidden voor het volk van het Noordrijk, dat precies Israël heette, en zich onderscheidde van Juda, de naam die verwijst naar het Zuidrijk. En nu wordt dit volk, dat zijn oorsprong en bevoorrechte relatie met de Heer blijkbaar vergeten is, bij zijn naam geroepen terwijl Gods naam genoemd wordt – God van de aartsvader en God van het volk: “Heer, God (…) van Israël, toon heden dat Gij God zijt in Israël”.

Het volk waarvoor Elia bidt, wordt met zijn waarheid geconfronteerd en de profeet vraagt dat ook de waarheid van de Heer zich zou manifesteren, dat Hij zou optreden om Israël te bekeren door het los te maken van het bedrog der afgoderij en het zo naar het heil te leiden. Wat hij nastreeft is dat het volk uiteindelijk ten volle zou weten wie zijn God werkelijk is, en de beslissende keuze zou maken Hem te volgen, Hem alleen, de ware God. Want alleen zo wordt God erkend voor wat Hij is, absoluut en transcendent, zonder dat andere goden naast Hem kunnen staan die Hem niet als absoluut zouden erkennen, die Hem zouden relativeren. Dat is het geloof dat Israël tot volk van God maakt; dat is het geloof dat beleden wordt in de bekende tekstShema’ Israel: “Luister, Israël, Jahwe is onze God, Jahwe alleen! Gij moet Jahwe uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten” (Deut. 6, 4-5). Op het absolute van God moet de gelovige antwoorden met een absolute, totale liefde die heel zijn leven, al zijn krachten, zijn hart engageert. En het is juist voor het hart van zijn volk, dat de profeet in zijn gebed bekering afsmeekt: “opdat dit volk erkent dat Gij, Jahwe, de ware God zijt, en keer zo hun hart weer tot U” (1 Kon. 18, 37). Elia vraagt God door zijn voorspraak wat God zelf verlangt te doen, zich in heel Zijn barmhartigheid te manifesteren, trouw aan Zijn werkelijkheid als Heer van het leven, die vergeeft, bekeert, omvormt.

En dat is wat gebeurt: “Toen sloeg het vuur van Jahwe neer, verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en het stof; het likte zelfs het water in de geul op. Toen de mensen dit zagen, wierpen ze zich voorover op de grond en riepen: ‘Jahwe is de ware God! Jahwe is de ware God!’ “ (1 Kon. 18, 38-39). Het vuur, dat element dat zowel noodzakelijk als verschrikkelijk is, verbonden met de Goddelijke manifestaties van het brandende braambos en de Sinaï, dient nu als teken van Gods liefde die het gebed beantwoordt en zich aan Zijn volk openbaart. Baäl, de zwijgende en machteloze god, had de aanroepingen van zijn profeten niet beantwoord: de Heer daarentegen antwoordt en verteert zonder enige twijfel niet alleen het brandoffer maar gaat zover dat Hij al het water verteert dat rond het altaar uitgegoten was. Israël kan niet meer twijfelen: de Goddelijke barmhartigheid is voorafgegaan aan zijn zwakheid, zijn twijfels, zijn gebrek aan geloof. Nu is Baäl, de ijdele afgod, overwonnen en het volk dat verloren leek, heeft de weg naar de waarheid teruggevonden, het heeft ook zichzelf teruggevonden.

Dierbare broeders en zusters, wat zegt ons deze geschiedenis uit het verleden? In hoever is deze geschiedenis actueel? Voor alles, gaat het over de prioriteit van het eerste gebod: alleen God aanbidden. Daar waar God verdwijnt, vervalt de mens tot slavernij aan afgoden, zoals totalitaire regimes in onze tijd hebben aangetoond en zoals ook verschillende vormen van nihilisme aantonen die de mens afhankelijk maken van idolen, afgoden die hem herleiden tot de toestand van slavernij. Ten tweede, het belangrijkste doel van het gebed is bekering: Gods vuur dat ons hart omvormt en bekwaam maakt God te zien en zo naar God te leven en voor de andere te leven. Ten derde, de Kerkvaders zeggen ons dat deze geschiedenis van een profeet ook profetisch is, indien zij – zo zeggen ze – de voorafschaduwing is van de toekomst, van de toekomstige Christus; het gaat om een stap op weg naar Christus. En zij zeggen ons dat wij hier het ware vuur van God zien: de liefde die de Heer tot op het kruis brengt, tot de totale gave van zichzelf. Ware aanbidding van God is dan zichzelf aan God en aan de mensen geven, ware aanbidding is liefde. En ware aanbidding van God vernietigt niet, doch vernieuwt, transformeert. Zeker, Gods vuur, het vuur van de liefde brandt, transformeert, zuivert, maar juist zo vernietigt het niet doch schept het de waarheid van ons wezen, herschept het ons hart. En zo, echt levend door de genade van het vuur van de Heilige Geest, van de liefde van God, zijn wij aanbidders in geest en waarheid.

 top

 

Een reactie plaatsen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

  • Welkom

    (klik foto)

  • Index Heiligen – volg. geboorte jaar

    Heiligen t/m1600:

    Elia
    Jeanne van Toulouse
    Johannes Soreth
    Teresa van Jezus
    Johannes van het Kruis
    Anna van St. Bartholomeus
    Maria Magdalena de Pazzi

    Heiligen t/m1850

    Maria Margareta van de Engelen
    Maria van de Engelen
    Karmelietessen van Compiègne
    Rafaël van de Heilige Joseph

    Heiligen t/m1900

    Thérèse van het Kind Jezus
    Maria Pilar, Teresia en Maria Angeles
    Elisabeth van de Drieeenheid
    Titus Brandsma
    Teresia Benedicta van het Kruis
    Maria Maravillas van Jezus

    Heiligen vanaf 1900

    Teresa de Jesús

  • Afbeeldingen (klik foto)

  • “Breng mij Heer naar het dal van de Kerit”

    (klik foto)

  • Tot het hart

    Voor ons is God niet simpelweg het Woord. In de Sacramenten geeft Hij zichzelf persoonlijk aan ons, door middel van fysieke werkelijkheden. In de kern van onze relatie met God en onze levenswijze staat de Eucharistie. Dat oprecht vieren, en zo Christus persoonlijk ontmoeten, moet de kern van al onze dagen zijn.
    P. Benedictus XVI

  • Stuur een kaart

    Stuur een kaart

    klik foto

  • Tot het hart

    Jezus, ik dank U om mijn roeping. Zeg mij wat dit vraagt aan weder liefde. Leer mij in het hart van Uw Kerk als Maria te zijn: levend vanuit het gebed, beeld van Uw goedheid, dienend in, niet van de wereld. Geef al mijn broeders en zusters een blij geloof, fris als de Karmelhoogte en trouw in moeilijke uren. Maar ons één en geef dat wij U eens mogen zien van aangezicht tot aangezicht. Amen.

  • (klik foto)

  • Tot het hart

    We kunnen van ons hart een bidplaats maken waar we ons nu en dan terugtrekken om even met God samen te zijn, in stille vrede, zonder pretentie, en met een hart dat bemint.

  • Twitter Updates

  • Tot het hart

    „Het leven van een karmelietes is een communie met God van de morgen tot de avond en van de avond tot de morgen. Als onze cellen en panden niet vol waren van Hem, wat zouden ze leeg zijn. Maar we zien Hem door alles heen. We dragen Hem in ons. Ons leven is een vooruitbeleven van de hemel” (Br. 46).
    Z. Elisabeth van de Drie-eenheid

  • Getijdengebed


    (klik foto)

    gebruikersnaam: getijdengebed
    wachtwoord: brevier

  • december 2016
    Z M D W D V Z
    « Nov    
     123
    45678910
    11121314151617
    18192021222324
    25262728293031
  • Rozenkrans


    (klik foto)

  • Tot het hart

    "Neem niets als waarheid aan wat geen liefde heeft. En neem ook niets aan als liefde wat geen waarheid bezit, het ene zonder het andere verandert in een leugen, een vernietigende leugen "
    H. Teresa Benedicta van het Kruis

  • Enter your email address to subscribe to this blog and receive notifications of new posts by email.

    Doe mee met 697 andere volgers

  • Follow Ordo Carmelitarum Discalceatorum Secularis on WordPress.com
  • Radio Maria


    (klik foto)

%d bloggers op de volgende wijze: