Heiligen t/m 1900


Thérèse van het Kind Jezus, 1873-1897
Kerkleraar

Thérèse is het vijfde dochtertje van de familie Martin. Voor haar zijn er Marie, Pauline, Léonie en Céline. Ze wordt geboren te Alençon op 2 januari 1873. Als kind heeft Thérèse niet altijd een gemakkelijk karakter. Als jongste wordt ze nogal verwend door haar zussen en is ze gewend haar zin door te drijven. Wanneer Thérèse nog maar vijf jaar is, sterft haar mama. Van dan af beschouwt Thérèse haar tweede zus Pauline als haar tweede moeder. Kort daarna, in november 1877, besluit meneer Martin van Alençon naar Lisieux te verhuizen naar een groot huis dat ze ‘les buissonets’ noemen. Op deze manier komen ze wat dichter bij hun oom en tante wonen, die een apotheek hebben in Lisieux. Op een dag beslist Pauline om in te treden in de Karmel van Lisieux. Thérèse wordt ziek van verdriet. Ze ziet echter het beeld van Onze Lieve Vrouw, dat naast haar bed staat, op een dag ‘glimlachen’ en geneest prompt. Wanneer ze elf is mag ze haar eerste communie doen. Ze bereidt er zich met veel zorg op voor en noemt het ‘de eerste kus van Jezus aan mijn ziel’. Na Pauline treedt ook de oudste zus Marie in bij de Karmel. Ook Thérèsewil graag religieuze worden, maar ze is nog maar vijftien.

Haar vader geeft zijn toestemming, maar voor de Karmel is ze te jong om in te treden. De bisschop raadt haar aan op bedevaart naar Rome te gaan en de zaak eens voor te leggen aan de paus.

Tijdens de reis houdt de vicaris Thérèse goed in het oog. De paus helpt haar niet om in te treden. Hij zegt alleen dat ze zal intreden ‘als God het wil’. Maar de vicaris is overtuigd van haar oprechte bedoelingen en zorgt ervoor dat haar intrede toch aanvaard wordt door de bisschop. Thérèse mag intreden. In april 1888 gaat de deur van het klooster voor Thérèse open. Ze is intens gelukkig. Nu heeft ze haar droom eindelijk waar gemaakt.

“Ik begreep dat, als de kerk een lichaam is dat uit verschillende ledematen is samengesteld, het noodzakelijkste en edelste lid haar niet kan ontbreken; ik begreep dat de kerk een hart bezat en dat dit hart brandde van liefde. Ik begreep dat alleen de liefde de leden van de kerk tot handelen aanzette. Ik begreep dat de liefde alle roepingen insloot, dat de liefde alles was, dat zij alle tijden en alle plaatsen omvatte, in één woord: dat zij eeuwig is. Toen heb ik in de overmaat van mijn uitzinnige vreugde uitgeroepen: O Jezus, mijn Liefde, eindelijk heb ik mijn roeping gevonden: mijn roeping is liefde! Ja, ik heb mijn plaats in de kerk gevonden, en deze plaats, mijn God, hebt Gij mij gegeven: in het hart van de kerk, mijn moeder, zal ik liefde zijn. Zo zal ik alles zijn. Zo wordt mijn droom werkelijkheid”.

Uit het levensverhaal van de H. Thérèse van het Kind Jezus
(Manuscrits autobiographiques, Lisieux, 1957, blz. 227-229)

In het hart van de Kerk.

Omdat tijdens de meditatie mijn verlangens mij een echte marteling waren, deed ik de brieven van de heilige Paulus open om een antwoord te vinden. Mijn oog viel op het twaalfde en dertiende hoofdstuk van de eerste brief aan de Korintiërs. In het eerstgenoemde hoofdstuk las ik dat niet allen apostelen, profeten of leraars kunnen zijn… dat de Kerk uit verschillende leden bestaat, en dat het oog niet ter zelfder tijd hand kan zijn. Het antwoord was duidelijk, maar stilde mijn verlangens niet, het gaf me geen vrede.

Zonder de moed te verliezen las ik verder, en deze zin vertroostte mij: ‘Gij moet naar de hoogste gaven streven. Maar eerst wijs ik u een weg die verheven is boven alles’ (l Kor. 12, 31). En dan legt de Apostel uit hoe zelfs de volmaaktste gaven niets zijn zonder de liefde, en dat de liefde de verheven weg is die zeker leidt naar God.

Eindelijk had ik rust gevonden. Bij het beschouwen van het mystieke lichaam, de Kerk, had ik mij in geen van de ledematen die de heilige Paulus beschrijft, herkend, of liever, ik wilde me in alle ledematen herkennen. De liefde gaf mij de sleutel van mijn roeping. Ik begreep dat, als de Kerk een lichaam is dat uit verschillende ledematen is samengesteld, het noodzakelijkste en edelste lid haar niet kan ontbreken; ik begreep dat de Kerk een hart bezat, en dat dit hart brandde van liefde. Ik begreep dat alleen de liefde de leden van de Kerk tot handelen aanzette, en dat, als het vuur van de liefde gedoofd zou worden, de apostelen zouden ophouden het evangelie te verkondigen, de martelaren zouden weigeren hun bloed te vergieten. Ik begreep dat de liefde alle roepingen insloot, dat de liefde alles was, dat zij alle tijden en alle plaatsen omvatte, in één woord: dat zij eeuwig is!

Toen heb ik in de overmaat van mijn uitzinnige vreugde uitgeroepen: O Jezus, mijn Liefde, eindelijk heb ik mijn roeping gevonden: mijn roeping is liefde! Ja, ik heb mijn plaats in de Kerk gevonden, en deze plaats, mijn God, hebt Gij mij gegeven: in het hart van de Kerk, mijn moeder, zal ik de liefde zijn. Zo zal ik alles zijn. Zo wordt mijn droom werkelijkheid!

Om te voorkomen dat ze het troetelkindje van de zusters zou worden, is de priorin extra streng tegen haar. Ook haar oudere zusters maken het haar moeilijk met harde opmerkingen. Maar Thérèse verdraagt alles rustig. Op 10 januari wordt ze ingekleed en krijgt ze het habijt van een karmelietes. Meneer Martin is ernstig ziek, maar is toch aanwezig. Voortaan zal men haar zuster Thérèse van het kind Jezus noemen. Twee jaar later, op 8 september 1890, spreekt Thérèse haar definitieve geloften uit en engageert ze zich om de rest van haar leven aan Jezus te wijden. Haar witte kap wordt vervangen door een zwarte. Net zoals haar zusters Paulien en Marie kan Thérèse ook schilderen. Ze schrijft ook gedichten en theaterstukjes die ze voor de zusters speelt. De jaren gaan voorbij. Ze mag mee helpen de novicen te begeleiden en leert hen om voor God te staan zoals liefdevolle kinderen voor een tedere vader.

Leven uit liefde. Leven uit Liefde is altijd blijven varen. Vrede en vreugde zaaiend in alle harten.

Love breeds Love mp3

Maar Thérèse wordt ziek en sneller moe. Moeder Agnes, eigenlijk haar zus Pauline, vraagt haar om eens iets op te schrijven van haar leven. Wat ze opschrijft zal later het internationaal verspreide boek ‘Geschiedenis van een ziel’ worden. Ondertussen onderhoudt Thérèse ook een correspondentie met twee missionarissen die ze steunt en bemoedigt. Ze bidt ook voor hen. In juli 1897 moet Thérèse ondergebracht worden in de ziekenkamer. Ze weet dat ze gaat sterven, maar zegt: “Ik sterf niet, ik ga het ware leven binnen”. Op 30 september wordt haar toestand erger. Ze staart naar het kruisbeeld en roept uit: “Oh, ik hou van U, mijn God, wat hou ik van U”. Dat worden haar laatste woorden.

Al had ik elke fout, elke misdaad bedreven,
dan nog behield ik steeds hetzelfde vertrouwen,
want ik weet al te goed dat die hoeveelheid aan fouten
een druppel blijkt te zijn die in het vuur verdwijnt

Geef mij een hart dat brandt, dat verteerd wordt van liefde,
een hart tot steun en kracht, dat altijd blijft branden,
dat altijd mij bemint, tot in mijn zwakheid mij liefheeft,
dat steeds over mij waakt, bij dag, bij nacht mij leidt.

Nooit eerder was een mens zo vervuld door de liefde,
dat hij zijn leven gaf, mij zozeer beminde.
Geen mens dan Hij alleen, mijn God, die mens werd op aarde
en die geleden heeft, mijn Broeder en mijn Heer!

Al wat wij doen voor U, zelfs de mooiste der daden,
is werkelijk wat waard, wanneer het liefde
van Uw Hart uit kan stralen. Dus mijn doen en laten
ik leg het in Uw Hart, dat steeds van liefde brandt!

Ach, niemand is in staat heel Uw wet na te leven.
Maar levend als Uw kind, ontvang ik Uw zegen
en ben ik in staat U heel mijn leven te geven.
Mijn heiligheid zijt Gij. Uw Liefde leeft in mij!


Act of Oblation to Merciful Love mp3
Story of a Soul – Ch.8 mp3

Een citaat van Thérèse van Lisieux, uit haar autobiografie ‘Geschiedenis van een ziel’, over een ‘lift naar God’.

Zalig verklaard door paus Pius XI, 29 april 1923
Heilig verklaard door paus Pius XI, 25 mei 1925
Uitgeroepen tot Kerkleraar door paus Johannes Paulus II, 19 oktober 1997

Woorden van de H. Thérèsa (Engelstalig)

Zie ook Overdenkingen

top


Zalige Maria Pilar van de Heilige Franciscus Borgia,
Teresia van het Kind Jezus en
Maria Angeles van de Heilige Jozef

Maagden en martelaressen van onze Orde

Giacomina Martinez Garcia werd geboren op 30 december 1877 te Zaragossa. Zij verbleef enkele jaren bij haar broer-priester te Tortelias en te Corella, waar zij zich onderscheidde door haar liefde voor de armen en de zieken. Enkele jaren na haar oudere zuster trad zij in 1888 in de Karmel te Guadalajara, en heette er Maria Pilar van de Heilige Franciscus Borgia. Haar geluk bestond erin zich nederig en glimlachtend op te offeren voor de vreugde van de gemeenschap. Zij had zich voorgenomen “Jezus op een dwaze manier te beminnen”, terwijl zij streefde naar de intiemste vereniging met Hem.

Eusebia Garcia y Garcia werd geboren op 5 maart 1909 te Mochales (Guadalajara). Haar geestelijke leider was haar oom-kanunnik, die zoals zij als martelaar zou sterven. Na haar studies bij de Ursulinen trad zij in de Karmel, als zuster Teresia van het Kind Jezus. Zij deed er haar eerste geloften op 7 november 1926. Zij slaagde erin haar moeilijk karakter te beheersen, aldus getuigend van de omvormende kracht van de liefde. Zij was een talentvolle muzikante die van haar leven één harmonie maakte van nederige volgzaamheid voor de heilige Geest, in vereniging met Maria.

Marciana Valtierra Tordesillas werd geboren te Getafe (Madrid) op 6 maart 1905, als jongste van 10 kinderen. Eén van haar broers zou zoals zij het martelaarschap kennen. Aangetrokken door “De geschiedenis van een ziel”, van Thérèse van Lisieux, trad zij in de karmel van Guadalajara, onder de naam Maria Angeles van de Heilige Jozef. Zij deed er professie op 21 januari 1931. Zeer zacht van karakter, toonde zij zich sterk in alles en overwon zij zichzelf voor de vreugde van Jezus en het heil van de zielen. Zij wilde de passie van Christus beleven voor het heil van de wereld.

Toen op 22 juli 1936 Guadalajara door de ‘republikeinse soldaten’ werd ingenomen, moesten de drie monialen het kloosterslot verlaten en een toevluchtsoord zoeken. Op 24 juli, terwijl zij stil op straat liepen, werden zij door een ‘revolutionaire’ herkend. Deze spoorde haar metgezellen aan de zusters onder vuur te nemen. Maria Angeles stierf als eerste; enkele uren later stierf Maria Pilar in een ziekenhuis waar men haar hoorde murmelen: “Vader, vergeef het hun…”. Teresia van het Kind Jezus stierf als laatste in de nabijheid van de begraafplaats waarheen zij gevlucht was. Haar laatste kreet was: “Leven Christus Koning”.

Zalig verklaard door de Z. Paus Johannes Paulus II, op 29 maart 1987
Vrije gedachtenis 24 juli

top

Elisabeth van de Drieeenheid, 1880-1906

25 November 1984, Johannes Paulus II kondigt te Rome de Zaligverklaring af van de jonge francaise, Elisabeth van de Drieeenheid.

Elisabeth Catez wordt op 18 juli 1880 geboren in een militair kamp bij Bourges, hartje Frankrijk. Zij heeft één zus, Guite. Haar vader sterft als Elisabeth zeven jaar is. Onstuimigheid, rechtgeaardheid, artistieke zin, warme humaniteit, een klare intelligentie en een hart dat bekwaam is tot een grote liefde: daarmee is haar temperament getekend.

Premier Prix voor piano aan het conservatorium van Dijon, op dertienjarige leeftijd. Zij reist, musiceert, danst, heeft veel vrienden, krijgt goede huwelijkskansen. Maar niets kan haar dorst naar het absolute lessen, tenzij de Levende God wiens vriendschap zij veelvuldig ervaart; noch een mens, noch de muziek schijnen haar voldoende ‘absoluut’ toe. Zij wordt éénentwintig, en stapt binnen in de Karmel van Dijon. Vijf jaar later, op 9 november 1906, wordt zij neergeveld door de Addisonziekte. Zij heeft echter een lichtende boodschap nagelaten, waarmee zij veel nieuwe vrienden heeft gewonnen. Men kan zonder overdrijving stellen dat er zowat in elk land ter wereld christenen zijn, die zich dagelijks inspireren aan haar diepzinnig gebed “O mijn God, Drieeenheid die ik aanbid”, dat tot de mooiste bladzijden van het christelijk psalter behoort.

Dat de hedendaagse westerse mens een grote honger naar het Absolute zou hebben, kan, ongelukkig genoeg, niet beweerd worden. Toch ervaart hij met weerzin de leegte, die het negatief van Gods afwezigheid is. Technologie alleen maakt de maatschappij kil, rationalisme het leven klein, materialisme de verhoudingen hard. Onze wereld heeft nieuwe wonden en frustraties opgelopen. Alleen de basisprincipes van het Evangelie kunnen een samenleving hartelijk en rechtvaardig en een persoonlijk leven gelukkig maken.

Precies hier sluiten Elisabeths ervaring zowel als haar boodschap aan. Jezus heeft verkondigd dat de universele broederschap gefundeerd is in God, die Vader is en die geen enkel mens uit zijn hart en zijn geheugen schrapt. Deze boodschap heeft Jezus onderschreven met de gave van zijn leven. Dit ging de rechtgeaarde en idealistische Elisabeth zo naar het hart, dat zij haar liefde voor de Verrezen Gekruisigde op haar beurt onderschrijft met een totale gegevenheid. Zij zoekt naar Hem met een ontzettend grote liefde. Zij blijft rotsvast haar onvoorwaardelijk ja met Jezus’geloofsaanbod uitspreken, ook als zij geconfronteerd wordt met een vroege en pijnlijke dood.

Lààt je beminnen, meer dan de anderen….De Heer wil dat je op dié manier een loflied van zijn heerlijkheid bent! Hij vindt er zijn vreugde in, in jou iets moois op te bouwen, door zijn liefde, en voor zijn verheerlijking! En Hij alleen wil daaraan werken, zelfs al had je niets anders gedaan om die genade aan te trekken, dan wat het schepsel doet: daden die getekend zijn door zondigheid en ellende…Hij houdt van je op dié manier. Hij houdt van je , meer dan van de anderen…Hij zal alles in je doen. Hij zal tot het uiterste gaan. Want als je door Hem bemind wordt, in zo hoge mate, op die manier bemind met een onveranderlijke en scheppende liefde, een liefde die vrij is om iemand te omvormen zoals het Hem behaagt, o…wat kan je dan vér gaan!…

Elisabeth was zeer enthousiast voor de rijkdom van God in ons leven, waar Jezus ons op attent heeft gemaakt. Zij stort zich in de vreugdevolle realiteit van Gods aanwezigheid. Maar haar communicatief hart kan niet nalaten er ook anderen over te spreken. En in het dagelijks leven wil zij een blij mens zijn waarin anderen een straaltje van Gods goedheid kunnen ontdekken. Een ‘sacrament’ van Hem dat Hem doorgeeft, zegt zij graag.

Het is verwonderlijk, zij stierf toch reeds op zesentwintigjarige leeftijd, hoeveel geschriften van haar bewaard zijn. O.a. 4 Geestelijke traktaatjes, 17 intieme aantekeningen, een Dagboek, 124 gedichten en niet minder dan 346 brieven aan 59 verschillende correspondenten, waaronder 40 leken.

Als je het besef levend houdt dat de Levende God overal is en jou persoonlijk intens bemint, zal dit je gehele zijn en handelen doordringen, zoals zonlicht dat door alle kieren en reten priemt.

Blessed Elizabeth of the Trinity – Letter 129 mp3
Blessed Elizabeth of the Trinity – Letter 156 mp3
Blessed Elizabeth of the Trinity – Letter 184 mp3

top

Z. Titus Brandsma O.Carm, 1881 – 1942
priester en martelaar

Titus Brandsma wordt op 23 februari 1881 geboren in Oegeklooster, bij Bolsward. Hij krijgt de voornamen Anno Sjoerd. Zoon van boer Titus Brandsma en Tjitske Postma.

In het Friese katholieke milieu werd zorgvuldig de eigenheid bewaard. In het boerengezin waarin Titus ter wereld kwam, heerste een geest van vroomheid en gebed die zelfs voor die tijd uitzonderlijk was. Vooral Titus’ moeder was een groot voorstander van het katholieke isolement. Het gezin leefde een naar binnen gekeerd, sober en geordend leven.

Dit heeft Titus gevormd en hem gestimuleerd een leven als religieus te ambiëren. Een keus die in dit gezin bijna een vanzelfsprekendheid was. Van de broer en vier zusters van Titus huwt slechts één zuster, de anderen kiezen voor een kloosterleven.

Vader Titus Brandsma was meer naar buiten gericht dan zijn vrouw. Hij was lid van de gemeenteraad van Bolsward en was betrokken bij de strijd om de erkenning van het bijzonder onderwijs. Titus heeft ooit geschreven: ‘Ik heb het voorrecht te stammen uit een gezin waarin warm werd meegeleefd met hetgeen de Friese katholieken vooruitbracht’. In deze omgeving groeit Anno op en het is dan ook niet verwonderlijk dat hij, 11 jaar oud, met een handkoffertje samen met dorpsgenoten bij de tramhalte staat om naar het seminarie in Brabant te gaan; hij wil priester worden. Anno heeft een zwakke gezondheid, een spits en smal gezichtje, ze noemen hem de punt, maar hij is een briljant student. Na het Franciscaanse kleinseminarie stapt hij over naar de Karmelieten.

Aktie en contemplatie zijn in de Karmelspiritualiteit onlosmakelijk met elkaar verbonden. Titus voelde zich aangetrokken door dit ‘dubbele doel’ van de Karmel. 17 september 1898 trad hij in bij de Karmelieten. In zijn eerste brief aan zijn ouders schrijft Titus:‘Ik ben heel gelukkig hier op mijn cel of onder de andere fraters, zoals men dat van mij vordert.En ik geloof wel dat God mij hier geroepen heeft.Maar bidt maar goed voor mijopdat ik mag weten of ik zijn Heilige Wil volg of niet.En indien Hij mij soms niet geroepen heeft, wat ik echter niet geloof en ook niet hoop,daar het een groot geluk is, dat ik dan moge weten wat ik moet doen om Hem te behagen.Doch, zoals ik reeds zei, ik ben nu gelukkig en hoop het te blijven’.

Titus is zijn leven als Karmeliet begonnen in zijn cel. Deze cel droeg hij altijd om zich heen als een onzichtbare mantel. Tot hij zijn leven uit handen moest geven in die andere cel.

Het thema dat bij Titus Brandsma in zijn geschriften telkens weer terugkomt is dat het mystieke leven, de vereniging tussen God en mens, niet iets is dat alleen aan het eind staat van de geestelijke reis van de mens naar God toe. Integendeel, de aanwezigheid van God ín de mens en in alles dat is staat ook aan het begin daarvan. Het is het uitgangspunt en de voorwaarde van het verlangen van de mens en van de gedrevenheid naar God toe. Slechts vanuit deze oergrond is het denkbaar dat mensen hun ware zelf terugvinden.

De geestelijke weg die wordt gegaan gaat naar deze oorsprong terug, een oorsprong die tegelijk altijd diep aanwezig blijft. Zo zag Titus God niet alleen aanwezig in iedere mens die hij ontmoette, maar ook aanwezig in de schoonheid en kracht van de natuur. In de zomer van 1935 hield Titus in Amerika een serie lezingen over de mystiek van de Karmel. Tijdens zijn reis in Amerika verbleef Titus in het Karmelklooster in Niagara Falls. Daar schreef hij:

Terwijl ik dit zit te schrijven, luister ik naar het ruisen en bruisen van de Niagara Falls. Deze wondere waterval wordt door miljoenen bezocht om zijn weergaloze schoonheid. Ik voor mij zie het liefst naar de diepere ondergrond van dit heerlijke natuurverschijnsel.; niet oog en oor alleen zijn geboeid, maar veeleer mijn verstand, dat nadenkt over hetgeen door God in het water is gelegd. Ik zie niet slechts de rijkdom van de natuur van het water, zijn niet te meten potentialiteit, ik zie God werken in het werk van zijn handen en de openbaring van zijn liefde. Niettenin, ook mijn oog en oor zijn geboeid en telkens keer ik terug om te zien en te horen.Ik Ik heb menig ogenblik, waarin het laatste genot overheerst’.

Op tal van maatschappelijke gebieden heeft Titus zich ingezet voor de samenleving. De terreinen waar hij dit in het bijzonder deed waren journalistiek en onderwijs.
Goed onderwijs maakt krachten vrij in mensen. Goed onderwijs is investeren in de toekomst. Deze gedachte koesterde Titus Brandsma samen met andere voortrekkers uit de katholieke emancipatiebeweging van zijn tijd. Voor Titus was emancipatie meer dan politieke bevrijding, meer dan wetenschappelijke verheffing. Voor hem ging het om een nieuw geestelijk bewustzijn. Het onderwijs moest hierop gericht zijn: de spirituele tradities vernieuwen en van daaruit gaan leven. Het schrijven zat Titus in het bloed. Toen hij in Rome wijsbegeerte en sociologie studeerde (1906-1909), publiceerde hij al over zijn vakgebied.

In de tijd dat hij in Oss woonde en werkte redde hij de plaatselijke krant van de ondergang. Hij was zelfs tijdelijk hoofdredacteur. Onder de titel ‘Van ons Geestelijk Erf’ heeft hij talloze bijdragen geleverd aan De Gelderlander in de jaren 1938-1941. Titus schreef in de krant, omdat hij vond, dat het mystieke leven voor de gewone mensen was. In 1935 was hij benoemd door de Aartsbisschop tot geestelijk adviseur van de Rooms Katholieke Journalisten Vereniging. In deze functie ijverde hij voor de verbetering van de opleiding voor journalistiek. En hij zette zich in voor de rechtspositie van de journalisten. Ook schrijven was voor Titus een middel om een nieuw godsdienstig bewustzijn wakker maken, evenals de ‘nieuwe’ media.

Zeven jaar was Titus Brandsma actief ais adviseur voor de Katholieke Dagbladpers. Het zou hem uiteindelijk zijn leven kosten. In 1941 schrijven de bisschoppen een brief over de opstelling van de katholieke pers tegenover de nazi’s. Als de bezetter de Nederlandse pers dwingt advertenties van de NSB op te nemen, wordt de zaak kritiek. Volgens de brief van de bisschoppen kunnen deze principieel niet geplaatst worden.

Kardinaal de Jong en Titus hebben hierover een gesprek. De kardinaal herinnert zich:
‘Titus bood zich aan om de Katholieke Dagbladdirecteuren te bezoeken om het schrijven van de bisschoppen toe te lichten. Ik vond zijn plan gevaarlijk. Voor hem wel te verstaan. Ik heb hem dus voorgehouden, dat het heel mooi was wat hij wilde, maar dat hij het toch maar liever niet moest doen, omdat de Duitsers er eerder toe zouden overgaan hem te arresteren dan mij. ‘U hebt gelijk’, heeft Titus toen gezegd. Hij vond het plan van de rondreis zeer belangrijk. Wat kon ik anders doen dan toestemmen. Ik heb hem nog eens op het hart gedrukt dat hij voorzichtig moest zijn.‘Dank u vriendelijk, Monseigneur’, zei Titus en zo is hij van, mij weggegaan’.Zijn rondgang langs de kranten werd gezien als een daad van openlijk verzet. Titus werd 19 januari 1942 gearresteerd en gevangengenomen.

SS-Hauptscharführer Hardeger, Sicherheitsdienststelle Den Haag 1942, schrijft aan zijn superieuren: ‘Brandsma en aartsbisschop De Jong zijn de drijvende krachten die ons streven: een Duitse beïnvloeding van het Nederlandse volk door middel van de pers, saboteren. De maatregelen van de Duitse macht terzake worden door de ‘ondergrondse activiteiten’(Wühlarbeit) van prof. Brandsma ernstig verstoord. Hij is een gevaarlijke mens. Zijn werk is erop gericht om het aanzien van het Duitse Rijk en dat van het Nationaal Socialisme te bestrijden en de eenheid van het Nederlandse volk zoals wij dit zien te ondergraven. Een lange gevangenneming van prof. Brandsma lijkt me voor de hand liggend’.

Titus, die reeds ver vóór de oorlog zich altijd had ingezet voor de vrede, valt ten prooi aan het nationaalsocialisme. Zijn verzet bekoopt hij met de dood. ‘Wie de wereld voor Christus wil winnen, moet de moed hebben met die wereld in conflict te komen, zei Titus. In de gevangenis van Scheveningen moet hij een stuk schrijven (zijn laatse) ter verantwoording van zijn verzet. ‘Waarom verzet zich het Nederlandse volk, met name het katholieke, tegen de NSB?’ Een echte, onverzettelijke, onbuigzame Fries spreekt eruit, en een christen. Hij eindigt zijn verantwoording met deze vredeswens:

God zegene Nederland
God zegene Duitschland
Geve God, dat beide volken weldra weer in volle vrede en vrijheid naast elkander staan in zijn erkenning en tot zijn eer tot heil en bloei van beide zoo na verwante volken.

Scheveningen Politie-gevangenis 22 Januari 1942

God en mens zijn volgens Titus Brandsma wezenlijk met elkaar verbonden. Volgens de getuigen blijft Titus dit godsbesef en mensbeeld innig beleven en uitdragen in de hel van het concentratiekamp Dachau.

Het was 1942, het jaar dat de concentratiekampannalen in zou gaan als ‘het bloedjaar’. Titus, die al verzwakt is door het verblijf in de andere gevangenissen, wil alle orders van het blokhoofd en de Stubenälteste zo nauwkeurig mogelijk opvolgen maar hij is niet vlug genoeg. Dit trekt extra de aandacht. Veel van de mishandelingen komen op zijn hoofd neer. Rafaël Tijhuis, die het kamp Dachau overleefde, schrijft:

‘Titus, met zijn aangeboren vriendelijkheid tracht door praten nog iets bij hen te bereiken Naderhand zeg ik dan wel eens tegen Titus: “Praat toch niet met die kerels, U bereikt er toch niets mee, hoogstens een pak slaag!”. Maar dan antwoordt hij: ‘Daarom moet je het niet laten, want wie weet, misschien blijft er wel iets van hangen’. ‘Men moet voor deze mensen bidden’ hoor je hem vaak zeggen, ‘opdat ze tot inzicht komen’.

Ruim 20 jaar voor zijn verblijf in Dachau heeft Titus Brandsma een lijdensmeditatie geschreven bij de kruiswegstaties van Albert Servaes. Scherp beschrijft hij daarin hoe het gemoed van de mens in opstand komt tegen de onterende ontluistering van het lijden. Hoe een mens het liefst daarvoor wil vluchten, weg van het kruis naar de zegevierende verlosser van de verrijzenis. Titus ziet echter juist ín die uiterste ontluistering van een mens een weg. Hier kan de liefde werkelijk aan het licht komen als alle gerichtheid op het zelf daarin geen deel meer heeft en de alteriteit van de Ander wordt omhelsd. Titus schrijft bij de derde statie: ‘In uw zwakheid hebt Gij de wereld overwonnen. Laat ik mét U zwak zijn en diep mij bukken onder de zwaarte van het leven. Nietig en gering zijn in het oog van de wereld en met U weer opstaan tot nieuw lijden, totdat mijn dood de bekroning zal zijn van mijn offer’.

Titus zocht het lijden niet op. Nog in de gevangenschap in Kleef heeft hij een poging gewaagd om het via een rekest af te wenden, door detentie te vragen in een Duits karmelietenklooster. Het lijden dat hij niet kon ontgaan ontving hij in verbondenheid met het lijden van Christus, ‘’t alleruitverkorenst lot, dat mij vereent met U, o God’, schrijft hij in de Scheveningse gevangenis.

Dit heeft Titus tot op het laatst uitgedragen. De getuigen die het hebben overleefd vertellen hoe hij mensen bleef vertellen van Gods verbondenheid met de mens. Zijn medegevangenen zochten hem in het geheim op om hem te horen spreken over het ‘Licht wat ons de vrijheid zal schenken, aan het eind van de donkere tunnel’. Zijn Godsbetrokkenheid én menslievendheid hebben op velen een onuitwisbare indruk achtergelaten. Het eind van de tunnel kwam voor Titus op 26 juli 1942 om 2 uur in de middag. Dan maakt een dodelijke injectie een eind aan de aardse pelgrimstocht van Titus Brandsma.

Zalig verklaard op 3 november 1985 door de Z. Paus Johannes Paulus II
vrije gedachtenis 27 juli

top

Teresia Benedicta van het Kruis, Dr. Edith Stein, 1891-1942


Jodin, filosofe, bekeerling tot het katholieke geloof, karmelietes, werd geboren op 12 oktober 1891. Zij was het jongste kind van het joodse gezin van Siegfried Stein en Augusta Courant. Het gezin telde 11 kinderen, 4 kinderen stierven jong. Ediths vader overleed voordat zij 2 jaar oud was. Haar moeder was een zeer zakelijke vrouw met een mild hart. Energiek zette zij de zaak van haar man voort en had veel succes. Zij was zeer godsdienstig en leefde de joodse wet stipt na.

Edith was levenslustig en buitengewoon begaafd. Na de volksschool wil zij niet meer verder leren en gaat in 1911 naar haar zus Else in Hamburg. Hier verliest zij haar geloof in de God van haar Vaderen. Na haar terugkeer uit Hamburg volgde zij op aanraden van haar moeder het gymnasium in Breslau. In 1915 slaagde zij voor het eindexamen. Zij studeerde geschiedenis, germaanse letterkunde en psychologie aan de universiteit van Breslau. Van hieruit ging zij naar Göttingen om filosofie te studeren bij prof. Husserl. Vanaf 1916 tot 1918 is zij assistente van Husserl. In 1916 promoveerde zij summa cum laude tot doctor in de filosofie. Zij gaf inleidingscursussen aan studenten en publiceerde haar eerste geschriften.

Zij had een oprechte drang om de zin van het menselijk leven te vinden en dit werd uiteindelijk een zoeken naar de waarheid. Waarom bestaat de mens? Wat is de zin van het leven? Een grote hulp bij deze vragen waren haar contacten met Prof. Husserl en prof. Max Scheler. Vooral haar omgaan met christelijke vrienden en haar contact met Reinach, haar studievriend, die in 1917 sneuvelde in Vlaanderen. Zij wilde zijn weduwe gaan troosten. Maar zij ondervond dat deze een grote kracht ervoer vanuit haar christelijk geloof.

De geschriften van de H. Teresia van Avila gaven haar de uiteindelijke overtuiging dat ook zij christen moest worden. Het uur der genade komt voor Edith Stein in de zomer van 1921 in Bergzabern. Edith Stein is er te gast bij het bevriend filosofenechtpaar Conrad-Martius. Op een avond heeft zij de thuiswacht. Zij schrijft: “Op goed geluk pakte ik een dik boek. Het droeg de titel ‘Leven van de Heilige Teresia van Avila, door haarzelf beschreven’. Ik begon te lezen, was meteen geboeid en hield niet op voordat ik het uit had. Toen ik het boek sloot zei ik tot mezelf: “Dat is de waarheid!” 
In het levensverhaal van Edith Stein komt deze weg duidelijk naar voor: eerst wordt een diepere dimensie ontsloten op het vlak van het denken, vervolgens zijn er levensechte ontmoetingen, tenslotte weet zij dat zijzelf aangesproken wordt en uitgenodigd. Deze weg kan duidelijk aangetoond worden en het is haar groei naar geestelijke grootheid maar méér nog: in deze weg laat God zich als God zien! Hartstochtelijke liefde voor de waarheid sluit inzet voor de medemens in. De weg naar God gaat via de medemens. Door contact met de medemens komt Edith Stein ook in contact met de Schrift. De wijze waarop de Schrift in het leven van Teresa van Avila gestalte krijgt laat dan het antwoord van Edith Stein op Gods uitnodiging rijpen en vorm krijgen.

Zij liet zich dopen in de katholieke kerk van Bergzabern / Palz op 1 januari 1922. Van 1922 tot 1931 was zij lerares wetenschappelijke opvoedkunde en Duits aan het St. Magdalena instituut van de zusters Dominicanessen in Spiers. Haar activiteit als lerares werd gekenmerkt door haar rijke en sterke persoonlijkheid en haar geloofsovertuiging.

Haar opvoedingsmethode was doordrongen van een drang naar waarheid, goedheid, menselijkheid en hartelijkheid, maar ook van de waarde van de vrouw in haar tijd.

“Vorming is niet een uiterlijk bezit van kennis, maar de gestalte die de menselijke persoonlijkheid aanneemt door de inwerking van velerlei vreemde krachten, resp. het proces van deze vorming. Het materiaal dat gevormd moet worden is, eerst en vooral, de aanleg van ziel en lichaam, welke de mens meebrengt op de wereld, en dan het geheel der opbouwstoffen, die bestendig van buiten opgenomen en in het organisme moeten worden ingelijfd. Het lichaam ontneemt ze aan de materiële wereld de ziel aan haar geestelijke omgeving, aan de wereld van personen en goederen, welke voor háár voeding bestemd zijn. De eerste en fundamentele vorming komt altijd van binnen uit.”

In haar privé-leven was Edith eenvoudig, arm en onthecht. Vele uren bracht zij door in de kloosterkapel, diep verzonken in gebed. De H. Eucharistie was voor haar een dagelijkse noodzaak. In 1932 werd zij docente aan het Duitse instituut voor wetenschappelijke pedagogie in Münster. In 1933 mochten joden geen les meer geven aan scholen, zodat Edith haar beroep moest opgeven.

14 Oktober 1933 trad Edith in bij de Karmelietessen in Keulen. Zij had dit al in 1922 willen doen. Op 15 april 1934, bij haar inkleding, ontving zij de naam Teresia Benedicta a cruce: Teresia, gezegend door het kruis. Zij leidde een leven van gebed, stipte plichtsvervulling en nederigheid. Pasen, april 1938, legde zij haar eeuwige geloften af. Hetzelfde jaar, op 31 december, moest zij uitwijken naar Nederland, omdat de jodenvervolging in Duitsland te heftig werd. Door een bevriend arts werd zij over de grens gebracht naar de Karmel van Echt.

Enige tijd later kwam ook zus Rosa, die na de dood van haar moeder in 1936 ook katholiek geworden was, naar Echt. Rosa werd portierster van het klooster. In 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen en ook hier begon de jodenvervolging. Naar aanleiding van het voorlezen van een brief van de Nederlandse bisschoppen tegen de deportatie van de joden, werden Edith Stein en haar zus Rosa in Echt opgehaald door de Gestapo. Het was zondag 2 augustus 1942 omstreeks 17.00 uur. Op de Peyerstraat stond de overvalswagen. Edith en haar zus werden door twee soldaten met het geweer in aanslag van het klooster naar de Peyerstraat gebracht. Zij werden eerst naar Westerbork vervoerd en enkele dagen later naar Auschwitz. Op 9 augustus werden zij vergast bij het kamp Birkenau in een verbouwde boerderij, “Het Witte huis”.

“Ik moet U zeggen dat ik mijn kloosternaam reeds als postulante mee in het huis gebracht heb. Ik kreeg de naam zoals ik er om gevraagd had Onder het Kruis verstond ik het noodlot van het Volk Gods, dat zich toen al begon aan te kondigen. Ik dacht, dat voor diegenen die het konden verstaan, dat het kruis van Christus was en dat zij het op zich moesten nemen in naam van allen. Zeker weet ik nu beter wat het betekent de bruid van de Heer te zijn in het teken van het Kruis. Begrijpen zal men het nooit want het is een geheim.”

Solitary dialouge with God mp3
Inner Life and Outer form and Action mp3

Zalig verklaard 1 mei 1987
Heilig verklaard 11 oktober 1998
Patrones van Europa 1999

top

Moeder Maria Maravillas van Jezus, 1891-1974

Maria Maravillas van Jezus, geboren als Maria Maravillas Pidal, dochter van Louis Pidal en Cristina de Guzman Muñoz, is een meer dan trouwe volgelinge van Teresa van Avila geweest. Zij was vanaf haar kindertijd door God aangeraakt en eenmaal in het karmelklooster ingetreden, is zij innerlijk geroepen om vele nieuwe kloosters te stichten.

Maria stamt uit een adellijke familie, kreeg een gedegen religieuze opvoeding en met overtuigde ijver voor God deed ze op vijfjarige leeftijd de belofte van maagdelijkheid. Ze bezat een goed verstand, verkeerde via haar ouders en grootmoeder in gevarieerde kringen en verzamelde zo de nodige wijsheid en praktische kennis. In haar adolescentie jaren gaf ze aan om karmelietes te willen worden. Haar ouders konden daar geen begrip voor opbrengen; ze moest voorlopig haar verlangen uitstellen. Haar vader kwam plotseling daarna te overlijden. Maria besloot toen om haar moeder verder bij te staan. Na enkele jaren gaf haar moeder haar uit eigen initiatief toestemming om de Karmel in te gaan.

Op 12 oktober 1919 koos Maria voor de Karmel van El Escorial bij Madrid, die gesticht was door de karmelietessen van Salamanca. Van haar eerste jaren in het klooster is niet meer bekend, dan dat zij meer dan gelukkig was met de genaden van het innerlijke leven, dat zij er gevonden had. Ze hoopten in de stilte van God verborgen te blijven. Bijzonder was dan, dat al gauw de aandringende gedachte bij haar opkwam, dat een Karmel op de Engelenberg, ten zuiden van Madrid, toch wel heel wat eerbetoon aan God kon betekenen. Er stond al lange tijd een kleine kluis ter ere van Onze Lieve Vrouw van de Engelen. In 1919 had men er een groot Heilig Hart beeld opgericht en in dat jaar werd Spanje aan het Heilig Hart van Jezus toegewijd.

Wat zou een karmelklooster daar voor het Goddelijk Hart een symbolisch vuur zijn. In verzoenende liefde en in gebed voor de gehele wereld en voor Spanje. Maria, die nog geprofest moest worden, begon hier haar harde innerlijke strijd. Of zich bij haar nietigheid tot zo’n bouwopdracht neerleggen en die innerlijke stem negeren, of de vrees overboord zetten en zich inzetten voor een Karmel op de Engelenberg. God maakte haar Zijn Wil bij herhaling zo duidelijk, dat zij haar oversten van haar bovennatuurlijke opdracht wist te overtuigen. Zij kreeg toestemming om het plan voor deze nieuwe Karmel voor te bereiden. Met haar intellectuele, sociale en praktische kwaliteiten wist zij overheden, religieuze bestuurders, weldoeners en bouwlieden in korte tijd tot realisering van dit klooster op de Engelenberg te brengen. Haar wens van een biddend leven in stilte zou dan, na de bouw van het klooster, in vervulling kunnen gaan. Het was dan ook voor haar een zwaar offer, dat de bisschop van Madrid haar tot overste van het nieuwe klooster wenste. Ze probeerde uit waarachtige nederigheid t3e weigeren, maar wilde bij aandrang tot gehoorzamen. Zij omhelsde toen het kruis, dat haar zou blijven begeleiden.

Zij had op 30 mei 1924 haar plechtige kloostergeloften gedaan, op 31 oktober 1925 op de feestdag van Christus Koning kwamen Maria en haar medezusters naar de Karmel op de Engelenberg, die feestelijk werd ingewijd. Ondanks het niet aflatende vurige gebed van deze zusters, dat hun Karmel zou worden gespaard, werden ze in de Spaanse Burgeroorlog daaruit verdreven en werd hun klooster verwoest. De zusters vonden voorlopig onderdak in Madrid. De Burgeroorlog liep en einde. Daarna trok Maria met haar zusters terug naar de Engelenberg om de zwaar beschadigde Karmel opnieuw op te bouwen. Intussen gingen de twijfels in haar rond of God dit allemaal wel van haar wilde.

Haar communiteit kreeg steeds meer roepingen. Ze dacht er aan om dan maar een nieuw klooster te stichten. Ze had in begin jaren dertig al drie nieuwe kloosters in India tot stand gebracht en daar haar zusters naartoe gestuurd. Nu drong de innerlijke stem weer aan. Ze stichtte een nieuw klooster te Mancera de Abajo. Met pijn in het hart nam ze afscheid van haar zusters op de Engelenberg. Zij bleven hun priorin in hun hart bewaren. Het in verval geraakte eerste klooster van de H. Johannes van het Kruis in Duruelo, kon door haar in 1947 worden opgekocht en gerestaureerd. In 1966 hielp zij het klooster van de Menswording in Avila, waar Teresa van Avila de hervorming van de Ongeschoeide Karmel begon, eveneens te restaureren. Zij wilde de eerste kloosterplaatsen van de Orde graag als bronnen weer in het oorspronkelijke licht zetten, waarnaar je innerlijk steeds weer moet terugkeren. In de loop van haar kloosterleven heeft ze zo een tiental kloosters gesticht en enkele renovaties gerealiseerd. Ze kwam tot rust in het laatste klooster La Aldehuela (Madrid), waar de zusters haar meteen tot priorin kozen.

De activiteiten van Maria allemaal beschrijven gaat niet. Ze was Gods werktuig. Met moederlijke liefde hielp en bemoedigde zij haar pas gestichte communiteiten en medezusters. Ze noemden haar Moeder Maravillas. Haar habijt en scapulier waren haar heilig. Ze verwezenlijkte het ideaal in haar leven: “Met Christus in God verborgen”. Een dierbare spreuk van haar, die ze naar haar zusters nogal eens herhaalde, was: “Al wat God belieft; Zoals ’t God belieft; Wanneer ’t God belieft”. Na een hartstilstand werd ze de laatste twee jaren steeds zwakker. Ze heeft zeer onthecht, in hartelijke verbondenheid en zorg temidden van haar medezusters, naar haar sterven en de opgang naar de Heer toegeleefd. Zij heeft van haar liefde en wijsheid, in die laatste jaren, nog veel met haar zusters kunnen delen.

Zalig verklaard door de Z. Paus Johannes Paulus II op 10 mei 1998
Heilig verklaard door de Z. Paus Johannes Paulus II op 4 mei 2003
Vrije gedachtenis 11 december

top

Een reactie plaatsen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

  • Welkom

    (klik foto)

  • Index Heiligen – volg. geboorte jaar

    Heiligen t/m1600:

    Elia
    Jeanne van Toulouse
    Johannes Soreth
    Teresa van Jezus
    Johannes van het Kruis
    Anna van St. Bartholomeus
    Maria Magdalena de Pazzi

    Heiligen t/m1850

    Maria Margareta van de Engelen
    Maria van de Engelen
    Karmelietessen van Compiègne
    Rafaël van de Heilige Joseph

    Heiligen t/m1900

    Thérèse van het Kind Jezus
    Maria Pilar, Teresia en Maria Angeles
    Elisabeth van de Drieeenheid
    Titus Brandsma
    Teresia Benedicta van het Kruis
    Maria Maravillas van Jezus

    Heiligen vanaf 1900

    Teresa de Jesús

  • Afbeeldingen (klik foto)

  • “Breng mij Heer naar het dal van de Kerit”

    (klik foto)

  • Tot het hart

    Voor ons is God niet simpelweg het Woord. In de Sacramenten geeft Hij zichzelf persoonlijk aan ons, door middel van fysieke werkelijkheden. In de kern van onze relatie met God en onze levenswijze staat de Eucharistie. Dat oprecht vieren, en zo Christus persoonlijk ontmoeten, moet de kern van al onze dagen zijn.
    P. Benedictus XVI

  • Stuur een kaart

    Stuur een kaart

    klik foto

  • Tot het hart

    Jezus, ik dank U om mijn roeping. Zeg mij wat dit vraagt aan weder liefde. Leer mij in het hart van Uw Kerk als Maria te zijn: levend vanuit het gebed, beeld van Uw goedheid, dienend in, niet van de wereld. Geef al mijn broeders en zusters een blij geloof, fris als de Karmelhoogte en trouw in moeilijke uren. Maar ons één en geef dat wij U eens mogen zien van aangezicht tot aangezicht. Amen.

  • (klik foto)

  • Tot het hart

    We kunnen van ons hart een bidplaats maken waar we ons nu en dan terugtrekken om even met God samen te zijn, in stille vrede, zonder pretentie, en met een hart dat bemint.

  • Twitter Updates

  • Tot het hart

    „Het leven van een karmelietes is een communie met God van de morgen tot de avond en van de avond tot de morgen. Als onze cellen en panden niet vol waren van Hem, wat zouden ze leeg zijn. Maar we zien Hem door alles heen. We dragen Hem in ons. Ons leven is een vooruitbeleven van de hemel” (Br. 46).
    Z. Elisabeth van de Drie-eenheid

  • Getijdengebed


    (klik foto)

    gebruikersnaam: getijdengebed
    wachtwoord: brevier

  • december 2016
    Z M D W D V Z
    « Nov    
     123
    45678910
    11121314151617
    18192021222324
    25262728293031
  • Rozenkrans


    (klik foto)

  • Tot het hart

    "Neem niets als waarheid aan wat geen liefde heeft. En neem ook niets aan als liefde wat geen waarheid bezit, het ene zonder het andere verandert in een leugen, een vernietigende leugen "
    H. Teresa Benedicta van het Kruis

  • Enter your email address to subscribe to this blog and receive notifications of new posts by email.

    Doe mee met 697 andere volgers

  • Follow Ordo Carmelitarum Discalceatorum Secularis on WordPress.com
  • Radio Maria


    (klik foto)

%d bloggers op de volgende wijze: