Heiligen t/m 1600

De Profeet Elia

Om een hedendaags katholicisme inhoud te geven zijn grote geloofsgetuigen of identificatiefiguren onmisbaar. Een bijbelse profeet zoals Elia is dat duidelijk. Hij voorzag dat Israël doorheen een ballingschap zou moeten gezuiverd worden. Vanuit de bijbel krijg je een persoonlijkheid te zien die je sterk aanspreekt en vertrouwd overkomt. Je merkt zijn warme liefde voor de God van het verbond, zijn verlangen om te bidden in eenzaamheid en stilte, zijn moedig optreden dat machthebbers niet naar de ogen ziet. Maar je voelt wellicht ook verwantschap met zijn angst, kwetsbaarheid, zijn gevoel van vereenzaming en moedeloosheid. Volgens de joodse traditie behoort Elia tot de ‘eerste profeten’. Levend in een religieuze crisistijd, is hij een van de boeiendste persoonlijkheden uit het oude Israël. Zijn optreden situeert zich tussen 870 en 850 v.Chr. In het NT verschijnt hij samen met Mozes op de Tabor bij de verheerlijking van Jezus (Mt. 17, 3). Mozes vertegenwoordigt daar de wet van het Oude Verbond en Elia de profeten.

De Karmelorde spreekt over Elia als over haar inspirator, leider en geestelijke vader, zijn profetisch charisma staat model voor haar roeping binnen de kerk. “Carmelitarum Dux et Pater” .  Plots duikt Elia als profeet in de bijbel op. Hij komt uit Gilead, een streek aan de overkant van de Jordaan. Het Jahwe-geloof heeft zich daar zuiverder doorgezet dan in de rest van Kanaän. Eli-jahoe is zijn roepnaam , mijn God is Jahwe alleen. Heel zijn strijd tegen de Baälcultus ligt in die naam uitgedrukt. Hij draagt een ruwe profetenmantel en een leren gordel. Elia is niet louter een eenzaat, maar sterk verbonden met de gemeenschappen van profeten. Zijn grote tegenspelers zijn koning Achab en koningin Izebel. Wij zijn in het welvarende Noordrijk Israël, 9de eeuw v.Chr., dat bewust een evenwichtspolitiek voert. Daar komen allianties bij kijken die traditioneel bezegeld worden met een huwelijk. Zo wordt de jonge Achab uitgehuwelijkt aan Izebel, dochter van de koningpriester van Baäl uit Tyrus en Sidon. Izebel heeft het ‘recht’ haar eigen godsdienst te beleven. Zo wordt de Baälcultus ingevoerd in het ivoren paleis te Samaria, die zich ook sterker onder het volk verspreidt. Achab, die vooral een stedenbouwer is, eet religieus van twee walletjes. De Baälcultus is een oude cultus van vruchtbaarheid op alle niveaus. De mens is een soort slaaf, die voor vruchtbaarheid van die goden afhankelijk is. In het jahwisme ligt het anders. Er is maar één ware God en vooral de verbondsrelatie tussen een aandachtige, bevrijdende God en de mensen staat centraal. Officieel zijn beide cultussen gelijkwaardig. Maar 2/3 van de bevolking is op Baäl gericht, slechts 1/3 op de Heer, een minderheid dus die zich niet durft te afficheren uit schrik voor Izebel. Deze legt de heiligdommen van de Jahwecultus plat en laat zoveel mogelijk van zijn profeten ombrengen. Zo vind je de profeet Elia in het dal van de Kerit (1 Kon. 17) en later in de woestijn naar de Horeb toe (1 Kon. 19). Elia is zelfs de eerste én grote verzetsstrijder, de ruggengraat van het Israël wat gelooft in de Ene God.

Elia neemt stelling in een belangrijke confrontatie, de frontale botsing tussen de oude landbouwcultuur van Kanaän, waar Baäl vereerd wordt en de oorspronkelijke zwerverscultuur van de joden, die Kanaän waren binnengevallen, en die God als herdersgod hadden. De stellingname van Elia is duidelijk én creatie; geen compromis tussen de twee, maar ook geen afzijdigheid van de beschaving. Hij verruimt het geloof in God als bevrijder uit Egypte. God is ook schepper van alle mensen en zegent alles met vruchtbaarheid, het zogenaamd `eigen terrein’ van Baäl. Elia keert ook terug naar de bronnen van het volk Israël, het verbond met Mozes op de Sinaï. Was Mozes stichter van het geloof in de Ene God, Elia zorgt voor de vernieuwing van dit verbond op de Karmelberg én op de Horeb. Deze topontmoetingen vormen dus in feite een tweeluik.

Bij het religieuze duel op de Karmel tussen Elia en de Baälprofeten toont de heilige profeet de waarheid van God’s eredienst en zijn persoonlijke kwaliteiten. De opslag van dit gebeuren is de profetische boodschap van Elia aan Achab dat het de volgende jaren niet meer zou regenen tenzij op zijn woord. Zo zou de koning zien wie de échte God is, ook van de vruchtbaarheid van land en volk. Elia dook onder in het dal van de Kerit, uit angst voor de koning, waar het eenzaam was en stil (1 Kon. 17, 1-7). Dicht bij het hart van God, leert hij wat barmhartigheid is en wordt hij voorbereid op een nieuwe profetische zending. Het is het ritme van zijn leven, vanuit inkeer naar inzet.

En het woord van de Heer kwam tot hem: ‘Vertrek hiervandaan en ga naar het oosten en houd u verborgen in het dal van de Kerit, dat in de Jordaan uitmondt. Uit de beek kunt u drinken en de raven heb Ik bevolen u daar van voedsel te voorzien.’ Hij deed wat de Heer gezegd had en ging wonen in het dal van de Kerit, dat in de Jordaan uitmondt. De raven brachten hem ’s ochtends en ’s avonds brood en vlees en hij dronk uit de beek.

Binnen de Karmelspiritualiteit is het verblijf in de Kerit een symbool van de ontvankelijkheid voor de mystieke godservaring. Je wordt gevoed door het woord en de liefde van God. De Kerit is dus binnen in jou. Je contemplatieve gebed is geen vlucht uit een ontrouwe wereld. Want je wordt voor haar zelfs een bron waar God water doet opwellen voor allen die dorst hebben. Als je je armen in gebed naar God uitstrekt, omhels je tegelijkertijd de ganse wereld. Je gebed zuivert en herstelt ook die wereld in het licht van God.

Voor de kerkvaders is Elia een vurig profeet, en vooral hét model van wie God zoekt in de stilte van het gebed. Ze herkennen in hem Christus. Elia ondervindt verder hoe God zijn leven en dat van andere gastvrije mensen in stand houdt. Hij leert de weduwe van Sarefat het geloof in de werkzaamheid van Gods woord. God wekt op zijn gebed haar kind weer tot leven. Elia leeft, spreekt en handelt duidelijk vanuit God, dat is heiligheid. Koningin Izebel stuurt Elia een boodschap dat hij vermoord zal worden. Waarschijnlijk een intimidatie opdat hij zou vluchten. Elia raakt in paniek en krabbelt roemloos terug. Hij vlucht het land uit, de woestijn in. De balling Elia gaat onder een braamstruik zitten een symbool van de dood, die in die eenzaamheid al zijn gezicht laat zien. Want zitten onder wijnstok en vijgeboom is teken van leven en vruchtbaarheid. Elia is ontmoedigd, beschaamd, geconfronteerd met eigen ellende, bewust van eigen relativiteit. Ik heb het niet beter gedaan. De heilige heeft ook zijn kwetsbaar punt. Dit profetisch klagen en lijden is een beproeving die ook nog voorkomt in het leven van heiligen. Elia gaat er zelfs bij liggen om te slapen, ook een symbool van de dood en van weigering van verdere verantwoordelijkheid.

Maar God is niet afwezig. Een reddende engel geeft een menselijk direct antwoord op de vermoeidheid van Elia; hij moet opstaan en krijgt versgebakken brood en fris water. Daardoor weet hij dat zijn leven kostbaar is in Gods ogen. Na het doodsverlangen en de zelfvermindering groeit het leven weer in hem. God doet het twee keer. Hij zorgt heel teder en intens betrokken voor Elia. Zijn `reis’ mag zijn krachten niet te boven gaan. De vlucht van de banneling wordt door God omgebogen tot een pelgrimstocht naar de Horeb.

Veertig dagen en nachten onderweg, zo herhaalt Elia de Exodus, maar nu in omgekeerde richting. Hij wordt een tweede Mozes. De kracht voor de voortzetting van zijn verbondswerk op de Karmel, zal Elia vinden op de berg waar Mozes het eerste verbond bemiddelde tussen Jahwe en Israël. In de grot van Mozes wordt ook hij met een godservaring begenadigd. « Wat doe je hier ? » Geen verwijt in die dubbele vraag, wel een zachte uitnodiging om de reden van zijn verdriet uit te spreken. God toont zich hier een koning die vol medelijden rechtshulp wil verlenen aan zijn dienaar. Elia komt zo tot een nieuw zelfverstaan. Hij stort zijn hart uit. Daarop worden alle bekende elementen van Gods openbaring aan Mozes vermeld, storm, aardbeving en vuur. Maar alleen het suizen van een zachte bries is voor Elia het teken dat God komt en zal spreken.Er ging een zeer zware storm voor de Heer uit die bergen deed splijten en rotsen verbrijzelde. Maar de Heer was niet in de storm. Op de storm volgde een aardbeving. Maar ook in de aardbeving was de Heer niet. Op de aardbeving volgde vuur. Maar ook in het vuur was de Heer niet. Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries.

De bries is symbool van intimiteit waarmee God tot mensen die Hem toebehoren spreekt, symbool van Gods creatieve betrokkenheid op het menselijk geluk. Elia houdt zich gereed voor de zending die hem te wachten staat door de geste met de mantel. Gods woord is daad. Elia wordt gezonden om mensen te zalven tot koning en profeet. Zij zullen de strijd verder zetten en de opvolging verzekeren van de verbondsvernieuwing.

P. Benedictus XVI over Elia op Overdenkingen

top

Zalige Jeanne van Toulouse
Geboren in 1210/1212 te Toulouse

Volgens de meest betrouwbare biografie, welke van de Karmeliet John Bale, (Collectanea, British Museum) die in 1527 Toulouse bezocht, was Jeanne van een edele familie van het koningshuis Navarre. Ergens anders staat ze bekend als de dochter van graaf Baudouin. Vanwege haar devotie tot Maria, wenste zij te leven als observante dichtbij het Karmelieten klooster van Toulouse. Zij heeft hiervoor toestemming gevraagd aan de Heilige Simon Stock. In Toulouse leefde zij een leven van gestrengheid. Zij wijdde haar hele leven aan de bescherming en verering van de scapulieren van de Heilige Maagd Maria van de Karmel. Het is dan ook met het scapulier van de Seculiere Orde in de hand dat zij meestal wordt afgebeeld, gekleed in het bruine karmelietessenhabijt met witte mantel. Zij hield ervan te spreken van hemelse zaken met de jonge paters en broeders, en zij bad veel voor hen, wat ten goede kwam aan hun geestelijk leven.

Het is niet waarschijnlijk dat zij leefde ver voor de 15e eeuw, omdat zij niet voorkwam op de lijst van Karmel Heiligen uit de 2e helft van de 14e eeuw, en ook niet op de lijst van de Orde gemaakt door John Grosse † 1437, een lid van de Karmel provincie van Toulouse. Jeanne is vaak als lid van de derde orde, de seculiere orde, genoemd; hoewel het niet geheel onmogelijk is dat zij wel haar professie heeft gedaan, zoals andere ‘bekeerde’ dames deden in die tijd.

Na haar dood, werden er vele wonderen aan haar toegeschreven door de gelovigen. Bernard du Rosier, Aartsbisschop van Toulouse van 1452 tot 1474, liet Jeanne’s lichaam opgraven en plaatsen in een graf, een waardige plaats in de kapel van de Kerk van de Karmelieten in de stad; en tijdens die gebeurtenis verleende hij een aflaat van 40 dagen voor diegenen die de relieken bezochten. Gailhard de Ruppe, Provinciaal van Toulouse, gaf een lofrede. Een antifoon, met vers en gebed, ter ere van de zalige is ook bekend. Volgens Bale, werd tijdens het Generaal Kapittel van de Karmelieten, gehouden in Napels in 1510, de heiligverklaring van Jeanne behandeld.

Onderzoek naar de overblijfselen werden in 1616, 1656 en 1688 gehouden. In 1656 viel het op dat er een arm en de rechterhand ontbraken; deze waren naar Spanje gebracht door de generaal overste Henry Silvio, na een bezoek aan het klooster. En in 1688 bleken de linkerhand en enkele tanden te zijn verdwenen. Na de Franse Revolutie, gedurende de afbraak van de Karmelieten en hun Kerk in Toulouse in 1805, werden de overblijfselen van Jeanne gevonden in een muur, samen met het document van het onderzoek uit 1688 en enkele gebeden welke Jeanne eindeloos zou hebben herhaald.

Het lichaam werd overgebracht naar de regio Kerk van St. Stephen en begraven in de kapel van St. Vincentius de Paulo; daarna, in 1893, ter voorbereiding van de zaligverklaring, werd het lichaam weer opgegraven en geplaatst in een gotisch reliekenschrijn. Jeanne werd zaligverklaard door Paus Leo XIII in 1895, haar feest wordt gevierd op 31 maart

Op een fresco uit de late 15e eeuw, 1472, in de Kerk van de Karmelieten van St. Felix del Benaco (Brescia), is de Zalige te zien met een witte sluier als teken van de Derde Orde van de Karmel. Een tekening rond 1620 gemaakt, in opdracht van Gaspard Rinkens, prior van het klooster van Anvers, laat Jeanne zien als een Karmelietes starend naar het Kruis welke zij in haar hand houdt, (zie rechts) en zo wordt ze vaak tegenwoordig afgebeeld.

top

Zalige Johannes Soreth 1394 – 1471

Johannes Soreth geboren te Caen, Normandie, Frankrijk. Hij trad op jonge leeftijd in de Karmel en behaalde zijn master in Theologie te Parijs, waar hij Regent werd van het College. Later werd hij Provinciaal. Hij was Generaal Overste van de Orde van 1451 tot zijn dood, in Angers, Frankrijk 1471.

De zalige Johannes Soreth (1405-1471), een van de beroemdste Generaal Overste van de Orde, komt de eer toe, de stichter te zijn geweest van de vrouwenkloosters. Verschillende communiteiten van begijnen en bij de orde aangesloten “reclusae” (ingemetselden), vrouwelijke kluizenaars, vroegen naar een vaste regel. Paus Nicolaas V gaf de zalige Johannes door zijn bul van 7 oktober 1452, daartoe het gewenste verlof. De eerste communiteit aldus gevormd, was in Geldern bij Kevelaer, toentertijd (14 oktober 1453) behorend tot het graafschap Gelre. Daarna volgden Haarlem (1465) en Rotterdam (1482). In de Nederlanden kwamen zij weldra tot bloei in Luik, Dinant, Namen, Hoey. In Frankrijk stichtte de jonge weduwe van hertog Petrus II van Bretagne, de zalige Francisca d’Amboise, het eerste klooster te Vannes. Zij werd er zelf priorin.

De Benedictijner abt Trithemius noemt de Zalige Johannes Soreth ‘Een spiegel van het kloosterlijk leven, een eer en glorie voor de Orde van de Carmel, een hervormer, zoals de toekomst er nog zelden een zien zal, een man, die zich in beschouwing en gebed geheel en al had gegeven aan God en aan het tot hoger bloei brengen van zijn Orde’. De Dominicaan, Magister Rolandus Briso, prijst hem bij zijn verkiezing tot Generaal in 1451 als de waardigste priester van Gods Kerk, en Pater Brugman, een Franciscaan, roept in één zijner predikaties uit – al houdt hij nog zo van zijn eigen Orde – ‘Pater Soreth, krachtig leider, licht en steun niet alleen voor zijn eigen Orde, maar voor alle bedelorden. O, onsterfelijke God, hoe wenschte ik, dat de Orde der Minderbroeders van Uwe goedheid zulk een bestuurder had ontvangen! Hoe voorspoedig zou het dan met ons gaan, hoe zou mijn geliefde Orde dan groeien en bloeien!’

Inderdaad, hij was voor onze Orde de door God gegevene in deze moeilijke tijd en bovenal de aangewezen man om een zo verheven instelling als de Orde der Karmelietessen in het leven te roepen. De H. Teresa zegt, dat God altijd bijzondere genaden schenkt aan ordestichters. Zij hebben zoveel te geven, dat zij, als ze zelf geen rijkdom en overvloed hebben van geestelijke goederen, niet kunnen delen met hen, die ze hebben te leiden en te steunen. Was er bij deze stichting nog een andere bedoeling dan om weer opnieuw een aantal zielen te doen delen in de voorrechten en genaden van de Orde van de Berg Karmel? Ik zal deze vraag moeten beantwoorden in negatieve zin en de geschiedenis bevestigt mijn bewering. Neen, het was niet de bedoeling om alleen maar het getal te doen groeien, maar om duizenden vrouwen te doen delen in de privileges, waaraan duizenden mannen in de Orde reeds deelachtig waren. Het valt niet te ontkennen, dat de Orde door het contact met de wereld veel van haar oorspronkelijke vurigheid verloren had, al stond dan ook aan haar hoofd een man, die in zijn tijd zijns gelijke niet had, en al telde zij in haar rijen verschillende verborgen heiligen, wier heiligheid mettertijd aan het licht zijn gekomen en door de Kerk bevestigd. Portugal had een Zalige Nonius, de stamvader van het koninklijk huis van Braganza, die lekebroeder werd in de Karmel van Lissabon; Italië had een Angelus Augustinus Mazzinghi, de voornaamsten bewerker van de Italiaanse reformatie, een Zalige Bartholomeus Fanti en een Zalige Baptista Mantuanus, de voornaamste bewerkers van een andere, Noord-Italiaanse hervorming, de Zalige Avertanus en Romaeus, vrome pelgrims, die sterven onder hun bedevaart en als heiligen te Luca vereerd worden, een Zalige Jacobinus, een lekebroeder wonderbaar voorbeeld van gehoorzaamheid. Maar de opsomming zou al te lang worden, als ik de namen noemde van al degenen uit dit tijdvak, wier gedachtenis gezegend is om de heiligheid van hun leven.

We kunnen zeggen, dat van de ene kant de heiligheid van vele van haar leden voor de Orde nieuwe genaden en gunsten van God verdiende, anderzijds, dat de stichting der Karmelietessen een vrije en geheel vrijwillige gave was door God aan de Orde geschonken. De Zalige Johannes Soreth hechtte grote waarde aan deze stichting, daar de zusters door haar strikter beschouwend leven in de Orde kunnen aanvullen, wat door de paters, wegens hun toenemende werkzaamheid in de wereld, wel niet precies vergeten, maar in meerdere of mindere mate toch op de achtergrond wordt gedrongen, al was dan ook de beschouwing het karakteristieke kenmerk van de Orde.

Niet alleen werd de Orde-gemeenschap vermeerderd door het toetreden van nieuwe leden, zo absoluut noodzakelijk voor haar bestaan, maar het mystieke, God-gebonden leven werd aanstonds aanvaard door talrijke aspiranten, die vol verlangen waren naar de genieting van dit leven. Een groot aantal vrome vrouwen verenigden zich met de paters om nog meer het contemplatieve element in de Karmelitaanse levensroeping in het licht te stellen. Toch mogen we hieruit niet concluderen, dat door deze verschuiving de paters de beschouwing en haar geneugten geheel en al aan de zusters overlieten – het leven van den Zalige Johannes Soreth zelf toont het tegendeel – nee, evenals tevoren bleef de overweging van de Wet Gods het hoofddoel van de Orde, maar zonder enige twijfel moet men aannemen, dat het toenemende actieve leven de paters weinig tijd liet om zich aan de overweging en het volle mystieke leven te wijden en dat dit leven hen afleidde van hun hoge ideaal.

De stichting van de Karmelietessen als tweede Orde in een organisatie, die voortaan uit mannen zowel als vrouwen zou bestaan, gaf zekerheid, dat het eerste en hoogste doel van de Orde van nu af aan op waardige wijze zou worden nagestreefd. De zusters waren niet alleen geroepen om aan te vullen, wat de paters bij de moeilijkheden en lasten van de zielzorg in de wereld misschien zouden vergeten, zij waren geroepen om iets méér te doen. Haar roeping was het om het mystieke karakter van de Orde te versterken en te bevestigen, het te doen schitteren in helderder glans dan ooit.

Veel strenger in haar afgeslotenheid van de wereld konden zij zich gemakkelijk meer intensief bezig houden met God en naar die mate beloonde God haar pogingen om de wereld met Hem te verzoenen. Zij waren, om ’t zo uit te drukken, de kroon en de glorie van de Orde. Zij leverden het bewijs, dat het meest verhevene op deze aarde, de overweging van het goddelijke, weer geheel iets eigens was van de Karmel. Zij waren een onvermoeibare groep van vrouwen, die het als haar roeping beschouwden een Maria te zijn in de eenzaamheid van haar klooster, een Maria, die het beste deel verkoos, dat haar niet zou worden ontnomen. Op die wijze werd niet alleen een aanzienlijk tekort goed gemaakt en in een dringende behoefte voorzien, maar er viel ook een positieve winst te boeken, daar de Orde, wat het grootste gedeelte van haar leden betrof, weer haar roeping vervulde. We moeten trachten alles te zien in een positief licht, en dan mag de zekerheid, dat de Orde, zij het dan ook in een beperkt aantal van haar leden, haar vooropgezet doel bereikte, zeker een onschatbare winst genoemd worden. Voor het oog van onze geest zien wij een eindeloze stoet van zusters als zovele succesvolle medestrijdsters voor het ideaal van onze Orde. Verenigd met haar voelen wij ons sterker en veiliger. Tezamen met haar gaan we de wereld door, terwijl eenzelfde ideaal ons verenigt.

Gewoonlijk zijn de paters geroepen om de gedachte aan dit ideaal levend te houden in de zielen en harten van de zusters, maar wederkerig zal het voorbeeld van de zusters de paters aansporen tot een meer volmaakt streven naar hun gemeenschappelijk ideaal. Als de H. Schrift zegt, dat een broeder geholpen door zijn broeder sterk is als een versterkte stad, hoe sterk zal dan de Orde zijn, nu zij na de stichting van Gelderen dat ontelbaar leger van zusters aan hunne zijde zien. Het is alsof het visioen van de profeet Elisa zich opent voor mijn ogen, alsof ik de Orde zie, omringd en ingesloten door een ontelbaar, gewapend leger, dat al mijn vrees verbant; nooit zal de geest der wereld bezit nemen van hun hart. De Zalige Johannes Soreth schreef ook als hulpmiddel bij zijn pogingen tot hervorming een verklaring van de regel overeenkomstig zijn nieuwe verzachting van 1431. En het is opmerkingswaardig, dat de Zalige Johannes de tweede Orde stichtte onder deze verzachte regel en dat het onderhouden van de regel de Zusters bracht tot de hoogste toppen van het mystieke leven en tot de grootste volmaaktheid. Uit sommige hoofdstukken kunnen we afleiden, wat bij hem vooral voorzat bij de stichting der Karmelietessen. Het valt ons direct op, dat hij zeer kwistig is in zijn lof van de eenzaamheid en dat hij zo hoge waarden hecht aan het heilig bewonen van de aan elk toegewezen cel. Hij maakt een woordspeling op het Latijnse woord coelum en toont aan, hoe de vurige omgang met God in de stille cel wordt gevonden om de ziel tot God te verheffen. Maar hij maakt direct onderscheid tussen een inwendige en een uitwendige cel. Deze laatste is het middel om zich zo nauw mogelijk met God te verenigen, om zich bewust te zijn van Zijn tegenwoordigheid. Daarenboven toont hij aan, dat de cel moet zijn een positief goed, niet alleen dus om ons verre te houden van de wereld en haar gebreken, maar vooral om ons dichter te brengen bij God, om ons te geven vrede en zielerust en algehele overgave. Uit datgene wat ik hier aanhaalde uit de verklaring van de Regel, blijkt duidelijk, dat de Zalige Johannes Soreth zeer systematisch te werk ging bij het uitoefenen der deugd en in zijn gebedsleven. Dit is geheel in overeenstemming met de tijd, waarin hij leefde en de school, waarvan hij de vertegenwoordiger was. De vraag is gesteld of de H. Teresia in haar wonderbare geschriften over de Weg der Volmaaktheid en het Kasteel der Ziel niet enigermate onder de invloed gestaan heeft van de Nederlandse school der Devotio Moderna, die in haar Exercitia het methodisch gebed en de systematische beoefening der deugd sterk op de voorgrond plaatst. Ik ben geneigd, om daaraan wel enige invloed toe te schrijven, maar ik zou verder willen zien dan de werken van Thomas a Kempis, Zerbolt van Zutphen en Garcia de Cisneros en denken aan den Zalige Johannes Soreth en de invloed, die hij in de Orde heeft gehad. Zijn mystiek is zonder twijfel zeer sterk verbonden met die van de Devotio Moderna. Hij legt grote nadruk op actieve heiligheid en de beoefening der deugden en daarin toont hij zich een kind van zijn tijd en van het land, waarin hij werkte voor het welzijn der Orde. Maar in dit geval is het verband, dat er gevonden wordt tussen het zoeken naar een meer methodische wijze van bidden en de school van de H. Teresa, tevens een aanwijzing, dat deze Heilige voortbouwde op de grondslagen van Johannes Soreth, op alles waarop hij zo bijzonder de nadruk had gelegd in zijn hervorming en in zijn stichting van de Karmelietessen. Hij besteedt er een geheel hoofdstuk aan om zowel de beoefening van de deugd aan te bevelen, als de voorbereiding tot het gebed en de beoefening van het gebed. Hij spreekt van een zeer langzaam en weloverwogen optrekken van het gebouw van ons geestelijk leven en van de blijvende invloed van de grondslagen ervan. Hij verwerpt het idee, dat de uren van gebed moeten zijn als oasen in de woestijn van het leven, maar bevestigt ten sterkste, dat het gebed in ons leven moet ingeweven zijn, erop geënt, zodat ons gebed de maatstaf is van ons leven en omgekeerd ons leven de oprechtheid van ons gebed bewijst. Vooraleer we beginnen te bidden, moeten we onze geest in zulk een toestand brengen, als waarin we zouden willen zijn onder ons gebed.

Daarom zegt de Regel, dat we Gods wetten en ons eigen leven moeten overwegen, teneinde de goede staat te verkrijgen, alvorens ons gebed te beginnen. Datgene, wat in ons gebed op den voorgrond moet staan, moet eerst worden opgewekt door de meditatie. Als hij later spreekt over de geestelijke wapenrusting, gebruikt hij dat beeld opnieuw. Hij wijst op David, die de wapenrusting welke Saul hem gegeven had, moest afleggen, omdat hij zich daarin niet geoefend had. Dat is de reden, zegt hij, waarom onze Regel een nooit verslappende activiteit vraagt, zowel van het Lichaam als van de Ziel. We moeten al onze vermogens oefenen, en in verband hiermee wijst hij ons de twee verheven voorbeelden, die een waren Karmeliet altijd voor de geest moeten staan: Onze Lieve Vrouw en den profeet Elia. De Zalige Johannes Soreth vergelijkt in het hoofdstuk over het wekelijks kapittel het onderhouden van de Regel met de kostbare parel van het evangelie, die zijn waarde behoudt, ook al wordt hij door sommigen veracht. De wijze verkoopt alles wat hij bezit om de akker te kopen, waarin de schat verborgen ligt. Dan moet er gegraven worden naar de parel. Ik zou dit beeld hier gaarne willen gebruiken om uiteen te zetten, hoe wij ons steeds dieper in ons zelf moeten leren om Christus te vinden en met Hem te leven. De Zalige Johannes Soreth heeft ons de Regel leren zien als de parel van het Evangelie en ons geleerd alles te verkopen, teneinde hem te verkrijgen, maar tegelijkertijd heeft hij ons ook geleerd, hoe wij die schat moeten opgraven door een leven te leiden van de grootst mogelijke vroomheid. Daarom moet dit leven ondersteund, opgevoerd en gevoed worden door een nooit verslappende beoefening van de deugd. In de glans van deze deugden zal de schittering van de parel nog sterker uitkomen.

Ontleend aan MYSTIEK VAN DE CARMEL
Historische schetsen door
Prof. dr. Titus Brandsma O.Carm.

top

Teresa van Jezus, 1515-1582
Kerkleraar en onze Moeder

Geboren op 28 Maart 1515 in Avila, een kleine honderd kilometer van Madrid. Ze treedt in op 2 November 1535 in het klooster van de Menswording, vastberaden maar met veel pijn in het hart. Na twee jaren noviciaat spreekt ze haar geloften uit “met grote beslistheid en vreugde” om haar verloving met Christus. Ze is één van de vele jongeren (er waren ook kinderen in het klooster, naast een aantal dienstmeisjes wat het totaal op ongeveer 180 bewoners bracht). Men volgt er de verzachte Regel van de Karmel (uit 1432) en de Constituties van de Karmelietessen, in de vijftiende eeuw opgesteld door de zalige Joannes Soreth. Er is geen slot, men leeft arm en ook met ernst het kloosterleven. Teresa wordt opnieuw ziek en moet het klooster verlaten om zich te laten verzorgen in Becedas. In die maanden ontdekt ze toevallig Het derde ABC dat haar tot het gebed van inkeer brengt. Ze krijgt haar eerste mystieke ervaringen (gebed van rust en zelfs intenser). Ze keert nog zieker terug en blijft meer dan vier maanden totaal verlamd, bijna drie jaar half verlamd: Toen ik op handen en voeten begon te kruipen, loofde ik God. Teresa is tussen de 23 en 27 jaar. Heel haar leven heeft ze problemen met de gezondheid.

Tijdens haar ziekte begint ze het inwendig gebed te beoefenen, maar zodra ze aan de beterehand is, begeeft ze zich teveel naar de spreekkamer wat tot een innerlijke crisis leidt. Na de dood van haar vader in 1543 begint bij Teresa een proces van bekering. In 1554 maakt Teresa een diepe bekering door die haar in contact brengt met een aantal goede geestelijke leiders, Francisco de Borja, Pedro de Alcántara. Stilaan groeien de plannen voor een nieuwe Karmel (Sint-Jozefsklooster in Avila vanaf 1560. Van januari tot juni 1562 verblijft ze in Toledo bij de weduwe Luisa de la Cerda (daar komt de eerste redactie van haar autobiografie tot stand).

“Het is of in de mens een nieuwe, intense liefde tot de Heer ontstoken wordt. En deze liefde bereikt een heel hoge graad.”

Teresa is de hervormster van de Karmel en stichteres van vele kloosters. Over de periode van 1562-1582 schrijft ze zelf in ‘Mijn Leven’ en het boek van de ‘Kloosterstichtingen’, evenals in vele brieven. In het klooster van Sint-Jozef wil ze volstrekte armoede en strikt slotleven. De stichting, 24 Augustus 1562, roept veel tegenstand op bij seculiere en geestelijke overheid. Het bezoek van pater Generaal J. B. Rubeo bevestigt haar enorm. Ze sticht een tweede klooster in 1567, Medina del Campo, en met de hulp van Juan de la Cruz, Johannes van het Kruis, begint ze ook de paters Karmelieten te hervormen (Duruelo 1568). Van nu af volgt de ene stichting op de andere. Haar werk kent heel veel moeilijkheden vooral als gevolg van juridische conflicten en onduidelijkheden. Op de koop toe wordt Johannes van het Kruis op 3-4 December 1577 gevangen gezet. Zijzelf wordt aangeklaagd bij de Inquisitie (1575). In 1581 krijgt haar ‘familie’ het statuut van afzonderlijke provincie met pauselijke goedkeuring.

Door haar taak als stichteres en de vele problemen daaromtrent komt Teresa in contact met alle mogelijke mensen, boeren en bisschoppen, zondaars en heiligen, soldaten en koning Filips II. Ze maakt er soms handig gebruik van. 1571, Teresa wordt aangewezen als priorin voor het klooster van de Menswording in Avila. De plaats die ze negen jaar eerder verlaten had om met haar hervormingsplannen te beginnen. Moeder Teresia staat voor een zware taak, zorgen voor ongeveer honderddertig monialen. Er moet hulp komen. Zij besluit Johannes van het Kruis als geestelijke leidsman voor haar zusters te vragen. Deze weet geleidelijk aan alle zusters te overtuigen van de inkeer die hun karmelitaanse roeping vraagt. Het is tevens in deze periode dat de wederzijdse geestelijke relaties tussen beide hervormers hun hoogtepunt bereiken. Het is een tijd van echte verdieping, want juist in die jaren beleeft Teresa de volheid van haar spiritualiteit.

Tijdens de laatste stichtingsreis (Burgos 1582) doet ze een ernstige ziekte op. De weersomstandigheden zijn hard, Teresa ondervindt tegenstand vanuit haar hervormde karmels, Valladolid en Medina. h Haar overste gelast haar naar Alba de Tormes te vertrekken voor een banale reden. In de Karmel aldaar sterft ze op 4 Oktober 1582 als “dochter van de Kerk”. Door een aanpassing van de kalender wordt haar feest gevierd op 15 Oktober.

The Way of Perfection (Chapter 28.2) mp3
The Book of Her Life – Ch. 22.7 mp3
Interior Castle Ch.1.7 mp3

Zalig verklaard door paus Paulus V, 24 april 1614
Heilige verklaard door paus Gregorius XV, 12 maart 1622
Uitgeroepen tot Kerkleraar door paus Paulus VI, 18 september 1970

Woorden van de H. Teresa (Engelstalig)

Zie ook Overdenkingen

top

Johannes van het Kruis, 1542-1591
Kerkleraar



Juan wordt geboren in een arme familie te Fontiveros in 1542. Naar aloude gewoonte moest Juan gedoopt worden op de dag zelf van zijn geboorte. Bovendien kreeg het kind de naam van de heilige die op die bewuste dag werd gevierd. Waarschijnlijk werd Juan geboren op 24 juni, feest van Joannes de Doper Zijn vader Gonzalo de Yepes sterft in 1544, uitgeput door een lange en pijnlijke ziekte, die tegelijk het beetje spaargeld verteerde. Juan is dan twee jaar. De moeder van Juan, Catalina, probeert door het verkopen van stoffen, in hun levensonderhoud te voorzien. De arme weduwe besluit hulp te zoeken bij de familie van Gonzalo. Onverrichterzake keren ze naar Fontiveros terug, waarna het arme gezin verhuist naar Arévalo.

Opnieuw ziet de weduwe zich in 1551 genoodzaakt om te verhuizen, op zoek naar bestaansmiddelen voor haar en haar zoontjes. Dit keer gaat de reis van Arévalo naar Medina del Campo. In Medina is een school. Het Colegio de la Doctrina, een school voor arme kinderen. Als arm kind en halve wees wordt Juan de Yepes er opgenomen. Hij wordt er gevoed, krijgt er enige lessen en moet een vak leren. Juan probeert achtereenvolgens het beroep van timmerman, kleermaker, graveur en schilder. Hij is ook acoliet in de kerk van het Magdalenaklooster. Een taak dat hij met veel toewijding verricht. Bovendien werkt hij als loopjongen in een ziekenhuis. Hij moet er helpen bij het verplegen van arme zieken en aalmoezen voor hen gaan vragen.

Dit nu is het werk der liefde, nu ik haar heb leren kennen: of er goed of kwaad is in mij, zij geeft alles iets voortreffelijks, en de ziel vormt zij in zich om; en zo in die kostelijke vlam die ik in mij gewaar word, zonder enig spoor te laten, raak ik restloos opgeteerd.

Afwisselend met deze bezigheden begint Juan zijn studies aan het jezuïetencollege in Medina del Campo. Hij leert er schrijven en vindt er vooral leermeesters en boeken. Hij verwerft er een cultuur en leert er de eerste beginselen van de filosofie. In 1563, hij is dan eenentwintig, trekt hij naar het karmelietenklooster te Medina en vraagt er het kloosterkleed van de Karmelorde. Zijn nieuwe naam wordt van dan af Juan de Santo Matfa. Op het college San Andrés, waar de karmelietstudenten verblijven, leidt Juan een voorbeeldig kloosterleven. Hij verdiept er zich in de Regel van de Orde, bestudeert de Heilige Schrift, de kerkvaders, de scholastieke theologie en het Latijn. Ook zijn artistiek talent en zijn persoonlijkheid zijn in volle ontwikkeling. In april van 1567 kiest het provinciaal kapittel Juan tot studieprefect. Tijdens de zomer van datzelfde jaar wordt hij priester gewijd en gaat naar Medina om er zijn eerste mis op te dragen. In september of oktober ontmoet Juan voor de eerste maal Teresa. Zij is dan tweeënvijftig en in volle actie voor haar Hervorming. Juan is in de volle kracht van zijn vijfentwintig jaar. Hij geeft haar zijn voornemen te kennen om naar de kartuizers over te gaan. De hervormster kan hem overtuigen om mee te werken aan haar hervormingsplan voor de paters Karmelieten. Alleszins is het zeker dat Juan teruggaat naar Salamanca, waar hij zich als theologiestudent laat inschrijven.

Tijdens de zomer van 1568 vergezelt hij Teresa bij haar stichting te Valladolid. Hij leert er bij de monialen het leven van de ongeschoeiden kennen. Begin oktober gaat hij naar Duruelo waar een kleine gemeenschap met het hervormde leven begint. Ondertussen is ook Juans naam veranderd, het is nu Juan de la Cruz geworden. Het leven te Duruelo mag je een terugkeer naar de bronnen noemen. Het kleine groepje paters bemediteert er de Schrift, waakt in gebed, beleeft de broederlijke liefde. Vanuit de stilte van hun kloostertje zijn ze ook dienstbaar voor de mensen uit de omgeving.

In de nacht van 2 december 1577 wordt Johannes van het Kruis met geweld uit het huisje bij de Menswording gehaald, waar hij als geestelijke leidsman van de zusters Karmelietessen zijn intrek had genomen. Hij wordt overgebracht naar het klooster van de geschoeiden in Toledo. Hij wordt er opgesloten in een smalle, donkere, verstikkende kerker. Hier brengt hij negen maanden door zonder met iemand contact te hebben. In plaats van te revolteren of wanhopig te worden en zonder ooit de Hervorming te verloochenen, schrijft hij er gedichten. Deze verzen weerspiegelen de gesteldheid van de gevangene. Beelden van pijn, van klachten, voortdurende symboliek van nacht en duisternis.

Gedurende de dagen van het octaaf van Maria-Ten-Hemelopneming lukt het Johannes van het Kruis om uit zijn kerker te ontvluchten. Hij kan zich verbergen bij de ongeschoeide karmelietessen van Toledo. De monialen verzorgen hem zoveel ze kunnen. Nadien verblijft hij een tijd lang in het huis van don Pedro Gonzàlez de Mendoza. Zijn ziekelijke toestand belet Juan niet de kapittelzitting van 1578 in Almodóvar bij te wonen. Pater Johannes van het Kruis wordt er gekozen als overste te Calvario (Jaén), in het zuiden van Spanje. Begin november 1578 neemt hij zijn taak als overste op. Johannes onderneemt verschillende reizen om de stichting van een college te Baeza voor te bereiden. Op 13 juni vertrekt hij definitief naar Baeza en wordt er de eerste rector.

In een nacht, aardedonker, in brand geraakt en radeloos van liefde, – en hoe had ik geluk! – ging ik eruit en niemand die ’t merkte – want mijn huis lag reeds te slapen.

1581, de Hervorming is nu bij pauselijke breve een afzonderlijke provincie geworden. Juan wordt tot provinciaal raadslid gekozen. Nadien gaat hij terug naar Baeza. Hij wordt belast met de voorbereiding van een karmelietessenstichting in Granada. Hij reist naar Avila om er Moeder Teresa te overhalen zelf naar Granada te komen. Tevergeefs. Zij heeft reeds besloten naar Burgos te vertrekken voor een stichting aldaar. Het is de laatste keer dat de twee hervormers elkaar ontmoeten. Hij wordt in de loop van het jaar 1582 prior van het klooster ‘Los Mártires’ in Granada. Op 4 oktober, tijdens de langste nacht uit onze geschiedenis — Gregorius XIII hervormt de kalender met het gevolg dat men van 4 oktober naar 15 oktober springt — sterft moeder Teresa. Het is tijdens deze jaren, 1584, dat hij zijn lange geestelijke traktaten verder bewerkt en afwerkt; Bestijging van de Berg Karmel en Donkere Nacht. Op het kapittel te Lissabon wordt P. Nicolàs Doria tot provinciaal verkozen. Johannes wordt provinciaal raadslid. In oktober van dat jaar gaat hij naar Pastrana, waar het kapittel van Lissabon verdergezet wordt. Hij wordt vicaris-provinciaal van Andalusië, met als residentie Granada. 1586, een jaar waarin hij omwille van zijn verantwoordelijkheden veel moet reizen. We vinden hem in Caravaca, Córdoba, Malaga, Sevilla, Toledo en Madrid. Tijdens het kapittel te Valladolid, 1587, wordt hij van zijn taak als raadslid en vicaris-provinciaal ontheven. Hij wordt echter voor de derde maal tot prior van Granada verkozen. Hij schrijft zijn Levende Vlam van Liefde. Van 18 juni tot 11 juli 1588 woont Johannes van het Kruis het kapittel te Madrid bij. Bij pauselijke breve worden de ongeschoeiden een eigen congregatie met aan het hoofd een vicaris-generaal. Pater Nicolas Doria wordt tot dit ambt gekozen. Johannes wordt als eerste generaal-raadslid gekozen en vervolgens derde raadslid van het nieuwe bestuursorgaan, de Consulta. Tevens is hij ook overste in het generaal huis te Segovia. In de loop van 1590 neemt hij deel aan een buitengewoon kapittel in Madrid. Johannes verzet zich tegen een aantal maatregelen die pater Doria heeft genomen. Maatregelen die blijk geven van een nogal rigoureus observantisme en eigenlijk tegen de geest van de Hervorming ingaan. Het generaal kapittel komt opnieuw samen in 1591. Johannes van het Kruis krijgt er geen enkele taak toegewezen. Men denkt eraan pater Johannes naar Mexico te sturen, maar de omstandigheden verhinderen dit. Uiteindelijk krijgt hij opnieuw Andalusië als bestemming. Johannes trekt zich terug in de eenzaamheid van het klooster van La Pehuela. Ondertussen is er een lastercampagne tegen hem opgezet. Na korte tijd begint hij hinder te voelen van lichte koorts, als gevolg van een ontsteking aan zijn rechter been. Op 28 september 1591 gaat Johannes van het Kruis ziek op weg naar Ubeda, om er verzorgd te worden. Daar sterft hij in de nacht van 13 op 14 december.

Ascent of Mt Carmel Book One Chapter 13, 5-7 mp3
Ascent of Mt Carmel Book One Chapter 13, 11 mp3
Ascent of Mt. Carmel – Book One Chapter 13, 12-13 mp3

klik (Engelstalig) Eerwaarde Barron pr. bij het sanctuarium van de Heilige Johannes van het Kruis.

Citaat uit Berg Karmel, (op een tekening) van Johannes van het Kruis, over hoe het ‘niets’ en ‘alles’ samenhangen op de spirituele weg.

Zalig verklaard door paus Clemens X, 25 januari 1675
Heilig verklaard door paus Benedictus XIII, 1726
Uitgeroepen tot Kerkleraar door paus Pius XI, 25 augustus 1926

top

Zalige Anna van St. Bartholomeus, 1549-1626


Geboren op 1 oktober 1549 te Almendral de la Cañada, een dorpje in de Sierra San Vicente, thans de provincie Toledo. Dochter van Hernàn Garcia en Maria Manzanas. Anna was het zesde kind van de zeven broers en zusters. Toen zij 10 jaar was verloor ze haar ouders.  Men liet haar de schapen van de familie hoeden. Een nederig herderinnetje in de bergstreek waar zij thuishoorde.  Daar groeide zij op in de volle natuur en deed de Heer zich weldra door haar ontmoeten.

Dikwijls vergezelde Hij haar. Dan zei zij; ‘Heer, daar Gij me toch gezelschap houdt, laat ons niet meer terug gaan waar andere mensen zijn, maar samen alleen de bergen intrekken. Wanneer Gij me gezelschap houdt, zal me niets ontbreken’.

Anna had een nichtje van dezelfde leeftijd, Francisca, met wie ze goed overweg kon, en samen brachten ze vele uren door. (Deze zal later als Francisca van Jezus ongeschoiede karmelietes worden te Medina del Campo en er als een heilige sterven.) Op zekere dag besloten ze samen te vluchten, ver van de familie, en ergens als kluizenaressen te gaan leven.  De morgen van de vlucht slaagde echter geen van beiden erin buiten te geraken en de opzet mislukte. Al vroeg kwam bij Anna de wens op zich voorgoed aan de Heer toe te wijden. Een moeilijke wens, die op sterk verzet stuitte vanwege haar broers. Dezen spraken haar over verscheiden huwelijksmogelijkheden en op de duur begon ze zelf te twijfelen. Maar ‘op zekere dag verscheen Jezus me, nu vrij groot geworden, als van mijn leeftijd en uiterst schoon, zoals Hij mij in mijn kinderjaren in het veld of elders verscheen. Het leek wel of Hij met mij opgroeide. Ditmaal verscheen Hij dus zoals ik gezegd heb, en sprak: ‘Ik ben degene die je liefhebt en die je huwen moet’. En Hij verdween’.

Zij nam een afwijzende houding aan tegenover alle huwelijkskandidaten. En toen Jezus weer bij haar kwam, stelde zij voor: Laten wij weggaan, Heer, gans alleen. Hij toonde haar in een droom het kleine St. Jozefklooster in Avila, waarvan zij niet wist dat het bestond. Maar de nieuwe pastoor van de parochie, die de Teresiaanse stichting kende, bracht haar op de hoogte en stelde voor de zaak te bespreken met de karmelietessen bij een bezoek aan Avila. Wat hij ook deed.

De zusters wilden die jonge Anna Garcia natuurlijk eerst eens zien. Het bezoek ging door en alles in Avila was zoals in de droom. Het zou nog wel geruime tijd duren vooraleer die droom echt in vervulling ging. Weer moest het meisje veel moeilijkheden trotseren, o.m. de hardnekkige tegenstand van haar broers. Eén van hen wou haar zelfs op zeker ogenblik met zijn wapen te lijf gaan. Achteraf kwam er verzoening en op Allerzielen, 1570, bracht die zelfde broer haar naar Avila, waar Anna zou intreden als eerste lekezuster. Uit dankbaarheid voegde zij aan haar naam Sint-Bartholomeüs toe. Enkele maanden voordien was ze van al haar zorgen ziek geworden maar ze genas plots op het feest van de apostel en in een heiligdom dat hem toegewijd was. Haar gezondheid bleek bestand tegen een leven in eenzaamheid en onthechting, ze was verstandig en evenwichtig en zeer blijmoedig. Na het postulaat en streng noviciaat volgde op 15 augustus 1572 de professie. Anna was nu bijna 23. Zij ondertekende met een kruisje. Geleerdheid had ze voorlopig niet nodig voor het werk aan de draaideur, in de keuken, bij de zieken. En ook niet voor het gebed.

In het klooster moest zij een tijdlang de vertrouwde visioenen missen. Dan vertoonde de Heer zich weer, maar als de Gekruisigde. Hij sprak over zijn dorst naar zielen en toonde haar alle deugden in hun schone volmaaktheid. Het werd haar duidelijk, dat ze voor die deugden en voor de zielen een en al ijver moest worden en dat het kruis de aangewezen weg was. De werkzuster legde zich veel boetedoeningen en verstervingen op om zo haar liefde tot de Heer te bevestigen.

Op zekere dag ging zij bidden in de zgn. kluis van Sint-Franciscus. ‘Toen ik binnenkwam, hing daar een geur van zeer fijne bloemen, waardoor ik ingekeerd raakte. De Heer kwam binnen, zoals Hij in de wereld rondwandelde. Hij was zeer schoon maar toonde zich zeer bedroefd. Hij kwam dichterbij en legde zijn heilige hand op mijn linkerschouder. Het was de rechterhand van de Heer, die zo zwaar woog, dat ik het nooit zal kunnen zeggen. Hij stortte in mijn hart de smart die Hij droeg en zei me: ‘Zie de zielen die voor Mij verloren zijn, help Mij.’ Hij toonde mij Frankrijk alsof ik er aanwezig was en de miljoenen zielen die door de ketterijen verloren gingen. Dit duurde geen ogenblik. Wanneer het langer had geduurd, voelde ik dat mijn leven zou geëindigd zijn’.
Anna was in het Sint-Jozefklooster te Avila een toonbeeld van zachtmoedigheid, bescheidenheid, werklust. Haar toewijding kende geen grenzen en graag offerde zij slaap, eten, recreatie op om de dierbare zieken van dienst te zijn. Ook een melaats geworden medezuster kon op haar liefhebbende inzet rekenen. Zulke houding moest uiteraard niet alleen de Heer maar ook haar overste welgevallig zijn. Dat was de H. Teresia, die in 1562 te Avila begonnen was met een eerste hervormde Karmel. Weer strenge clausuur met stilzwijgen, eenzaamheid, voortdurend gebed, weer onthechting en overgave. Alles begon in uiterste armoede met een kleine gemeenschap maar het groeide uit tot een verbluffend levenswerk: de stichting van vele nieuwe kloosters waarde oude karmelietaanse spiritualiteit met een nieuwe geestdrift beleefd werd. Een belangrijkste bijdrage tot de vernieuwing van het monastiek leven na het Concilie van Trente. Maar wat waren er ook problemen mee gemoeid!

De stichtingen maakten grote reizen noodzakelijk in de lastigste omstandigheden en Teresia, die al 47 was toen zij ermee begon, putte zich uit met deze onderneming. Bovendien bleven ziekten en ook ongevallen haar niet gespaard. Bij een val van de trap brak zij haar linkerarm die nooit meer volledig zou herstellen. Zij kon zichzelf nu niet meer behelpen, zelfs niet bij het aankleden. Degene die haar als een trouwe verpleegster en dienares dag en nacht ter zijde stond en aanmoedigde, was de 34 jaar jongere lekezuster Anna. Vele reizen deden zij samen en bij één daarvan liet de Moeder zich ontvallen : Wat jammer dat je me niet helpen kunt bij het brieven schrijven. Daarop vroeg Anna naar een schriftmodel, begon zich ijverig te oefenen en slaagde er zo in, ook de secretaresse te worden van de Madre. Onvoorstelbaar wat zij in die jaren aan dienstbaarheid opbracht. Als vertrouwelinge werd zij nu helemaal opgenomen in de bedoelingen, in de geest van de Karmelhervormster en grote mystica Teresia. Het werd een privé opvoeding van uitzonderlijke rang.

En Anna’s eigen mystiek leven  Zij verdiepte zich liefdevol in de Passie van O.L.Heer en was bereid zelf veel te lijden. Het antwoord bleef niet uit. AI vroeg waarschuwde Jezus haar: Gij zult te lijden hebben in gezelschap van mijn vriendin Teresia; gij zult dit lijden allebei te dragen hebben op de wegen. En dat bleek later maar al te waar. Vooral toen de Heilige alsmaar vermoeider, ziekelijker werd. ‘Op een avond, in een arm dorpje, was er niets te vinden om te eten. Zij voelde zich zo zwak en zei me: ‘Dochter, geef me iets, als ge het hebt, want ik val in onmacht. ‘ Ik had niets dan enkele droge vijgen en zij had koorts. Ik gaf vier realen om me twee eieren te zoeken, koste wat het koste. Toen ik zag dat men voor het geld niets vond en het mij terugbracht, kon ik de Heilige niet aanzien zonder te schreien, want haar gelaat was als halfdood’.

Anna was er ook bij toen voor Teresia (1582) het uur van sterven naderde. Bij aankomst te Alba was het lichaam van de Madre gebroken van uitputting, zodat de geneesheren haar onmiddellijk opgaven. ‘De dag waarop zij stierf, kon ze sinds de morgen niet meer spreken. ’s Avonds zei de pater die bij haar was, dat ik iets moest gaan eten. Toen ik wegging, vond de Heilige geen rust meer maar keek van de ene kant naar de andere. De pater vroeg haar of zij mij nodig had en door tekens zei ze ja en men kwam mij terugroepen. Van zo gauw ze mij terugzag, begon ze te glimlachen en zij betoonde zoveel genegenheid en liefde dat ze mij vast nam met haar handen en haar hoofd in mijn armen legde. Ik hield haar daar zo omhelsd totdat ze stierf’.
Anna keerde terug naar Avila en ze zou steeds de grote getuige blijven van Teresia’s leven, zij was met het denken van de Madre vertrouwd en ze zou over de dood heen met haar verbonden blijven, in verschijningen van haar leiding krijgen. De lekezuster genoot in die zin groot gezag en ze werd naar de Karmel van Madrid gestuurd om een oplossing te zoeken voor daar ontstane moeilijkheden. Dan werd zij betrokken bij een nieuwe stichting in Spanje en uiteindelijk kwam haar grote taak, de hervormde Karmel uit te dragen over de grenzen.

Voor Teresiaanse hervorming naar Frankrijk

Op verzoek van Franse vooraanstaanden met geestelijk gezag werden in 1604 zes karmelietessen uit Spanje naar Frankrijk gezonden. Eén van hen was Anna van Sint-Bartholomeüs. Voor haar ging een visioen van jaren geleden in vervullingen ze was tot elk martelaarschap bereid om de ketters in Frankrijk te bekeren. De verhalen over het protestantisme hadden de karmelietessen sterk getroffen. Het lijden dat Anna te wachten stond, was echter helemaal anders dan verwacht. De betrokken Franse overheden, vooral de latere kardinaal de Bérulle, wilde blijkbaar een Teresiaanse kloosterregel naar eigen smaak en er was taaie volharding nodig om aan de druk te weerstaan. De gewezen medewerkster van Teresia werd ook verplicht haar witte sluier te ruilen tegen de zwarte van de koorzusters. Dan werd zij achtereenvolgens stichteres en priorin van de nieuwe Karmel te Pontoise, priorin te Parijs, stichteres en priorin te Tours. Bij haar onkennis van het brevieren de problemen met de Franse taal, kwam nu nog de onvermijdelijke omgang met persoonlijkheden die een heel andere vorming hadden genoten dan zij en grondig verschillend waren van mentaliteit. Zij slaagde er echter in, haar geestdrift voor de Teresiaanse Karmel door te geven en ze won de harten met haar minzaamheid, haar ootmoed en geduld, haar gezond oordeel. Veel leed was ermee gemoeid toen ze ondervond, dat de zusters tegen haar opgeruid werden. Zij herkende een duivelse tegenwerking in veel onbegrip.

Wanneer Anna in 1611 voor een volgende stichting naar Vlaanderen vertrok, was in Frankrijk door haar toedoen de Karmelvernieuwing gekend, die later grote heiligen zou voortbrengen zoals Thérèse van Lisieux en Elisabeth van de Drieëenheid. Maar nu ging Anna weg met enige misnoegdheid omdat er onenigheid heerste over het bestuur van de zusters. Dit gezag kwam de Orde van de Ongeschoeide Karmelieten toe en in Frankrijk wenste men dat anders.

Moeder Anna bevrijdster van Antwerpen

‘Voor ik uit Tours kwam, toonde de Heer mij een licht en daarin zag ik een huis. Bij mijn aankomst in Vlaanderen, in het eerste huis dat men koos om bezit te nemen van de stichting van Antwerpen, herkende ik het huis’. En in Bergen, waar zij in de Karmel een oponthoud had van een jaar, moedigde de Heer haar aan na de Communie: Schep moed en ga erheen. Deze stichting zal een vlammende toorts zijn die licht zal geven aan heel dit land. Onderweg naar Antwerpen werd te Mariemont nog een bezoek gebracht aan de vrome aartshertogen Albrecht en Isabella, die de Kerk zeer aanhankelijk en de karmelietes uit Spanje zeer genegen waren. Zij zouden overigens te Antwerpen de eerste steen leggen van het nieuwe Karmelklooster, toen nog aan de rand van de stad. In de beroerde tijd van erge politieke en religieuze tegenstellingen beleefden de zuidelijke Nederlanden toen de tijdelijke vrede van een wapenstilstand. Er zou echter spoedig een eind aan komen. De vijandelijkheden tussen het protestantse Noorden en de Spaanse troepen in het katholieke Zuiden hernamen en prins Maurits van Nassau spande zich in om Antwerpen te veroveren. De listig opgezette pogingen mislukten zowel in 1622 als in 1624 en telkens werd de zaak beslecht binnen de kloostermuren van de Rosier. Isabella kende de oude priorin met haar mystieke relatie tot de Heer en zij had een beroep gedaan op haar gebed. De nacht dat de protestanten met hun schepen de stad wilden overvallen, was Anna als gewaarschuwd en bad urenlang met opgeheven armen en met grote vurigheid. Zo bleef zij geknield tot de dag aanbrak en haar duidelijk werd, dat het gebed verhoord moest zijn. De stad was niet veroverd maar een onweer had de schepen van prins Maurits verwoest.

Twee jaar later werd de priorin op een nacht gewekt door vreemde geluiden. Het leken wel kreten en ze hoorde ook de stormklok. Met de gewekte zusters ging zij voor het Allerheiligste knielen in aanbidding. Die nacht wou Maurits van Nassau met duizend ruiters en vierduizend musketiers het kasteel van Antwerpen belegeren. Een wacht gaf alarm en de Hollanders werden verdreven. Veel oorlogsmaterieel werd achtergelaten. Ook een derde poging mislukte tijdens het nachtelijk gebed van Moeder Anna. Haar geestelijke tussenkomst bleef niet geheim en zij kreeg de eretitel ‘bevrijdster van Antwerpen. Haar grote zorg gold hier de Kerk en het behoud van de stad binnen de katholieke gemeenschap.

Uit de Autobiografie blijkt duidelijk haar bekommernis om de kerkelijke belangen die destijds zo vaak verstrengeld waren met politieke en persoonlijke interessen. Zelf was zij echter steeds gedreven door religieuze motieven : haar liefde tot God en voor de evenmens. Zij leefde in de beste relatie met arm en rijk, was in briefwisseling met de hoogste kerkelijke, burgerlijke en militaire autoriteiten maar ook gewoon met vriendinnen. Steeds weer toonde zij zich bekommerd om mensen in nood en voor zieken was ze een meevoelende moeder. Ook die naastenliefde bevestigde, dat zij bij alle vroomheid en al haar visioenen een vrouw met realiteitszin was. Tot het eind van haar dagen was Anna van Sint-Bartholomeüs de tolk van de Teresiaanse hervorming en als zodanig werd zij ook in Rome bij de oversten van de Orde van de Ongeschoeide Karmelieten hooggeschat.

In 1624 werd de toen 75-jarige priorin ziek. Daaraan herinnert de laatste bladzijde van haar Autobiografie. In deze laatste ziekte, toen ik het Allerheiligste Sacrament had ontvangen, viel ik in bezwijming. Ik dacht dat mijn uur nu gekomen was. Terwijl ik in deze toestand was, zag ik een weinig van mij verwijderd, in de cel zelf, drie zeer eerbiedwaardige personen, alle drie op dezelfde wijze en zeer mooi, gekleed in plechtige gewaden. Ik wist dat het de Allerheiligste Drievuldigheid was en mijn ziel bestierf het om tot Hen te naderen en dit lichaam te verlaten. Zij riepen mij niet. Ik deed meer en meer moeite om dichterbij te komen en Zij verdwenen. Ik keerde tot het bewustzijn terug en hervatte moed. Maar iets in dit visioen deed mij eraan twijfelen of het God wel was, want gedurende twee dagen kon ik mij niet goed onderwerpen hier te blijven. Maar ondanks deze ongerustheid onderwierp ik mij aan wat God zou willen, of het nu leven was of sterven. Ik ben dus gebleven. Wanneer het verlangen om te sterven bij mij opkomt, zet ik het opzij en ik onderwerp mij aan Zijn wil.

Op een van die slotbladzijden vertelt Anna ook, hoe zij er diepe vreugde aan beleefde, verzen uit het Geestelijk Hooglied van Johannes van het Kruis (1542-1591) te herhalen.

0 kristalklare bronwel
als in het schijnsel van
uw zilveren wateren
Gij mij ineens aanschouwen liet
de ogen die ik eindeloos verbeid
en waarvan ik het vage beeld
diep in mij mag dragen

Het grote moment van de definitieve vereniging kwam op 7 juni 1626. Zij stierf in de Karmel van de Rosier op het feest van de H. Drievuldigheid.

Zaligverklaard door Paus Benedictus XV, 1917

Hoofdstuk IX (Zorg om zielen) Eng.mp3
Hoofdstuk VII (Methode van gebed) Eng.mp3
Zie ook het gebed voor de Zalige Anna bij Gebeden

top

H. Maria Magdalena de Pazzi, 1566 – 1607

De H. Maria Magdalena de Pazzi werd 2 april 1566 geboren te Florence. Haar ouders waren Camillus Gerinus de Pazzi en Maria Laurentia Buon del Monti, beiden zeer achtenswaardige families. De dag erna werd ze gedoop in de kapel van de Heilige Johannes de Doper, waar alle kinderen van de stad het Sacrament van de doop ontvingen. Haar peter was Pandolfus Strozzi en haar meter Flammetta Minorbetti, die haar de naam Catharina gaven. De zeereerwaarde heer Vincentius Puccini, die eveneens een levensbericht over onze Heilige in het licht heeft gegeven, is zelfs van oordeel, dat die naam niet zonder een beschikking Gods voor haar werd uitgekozen, zo sprekend leek zij in alle opzichten op haar patrones, de grootte Heilige Catharina van Siena.

In haar groeide al vroeg de ijver voor het gebed. Zelfs in die mate dat pater Andreas Rossi sj de biechtvader van haar moeder, haar geschikt oordeelde voor de heilige oefening van overweging. Met dat doel gaf hij haar een meditatieboek over het Lijden van Christus van pater Gaspard Loartes sj. Hij leerde haar daarvan gebruik maken. Vol vreugde daarover stond ze de volgende dag vroeg op om haar meditatie te houden en liet het toen nooit meer na.iedere ochtend een uur aan die heilige oefening te besteden. Voor het bidden gaf ze zo goed mogelijk aan haar kleed een religieuze vorm, trok daarover een scapulier aan en wierp een grote sluier over haar hoofd en ging aldus getooid vol vreugde voor Jezus neerknielen.

Ze was dan zo verdiep in gebed, soms zelfs buiten, dat niets haar kon afleiden, noch de insecten, noch de zon, noch de regen. Haar liefde voor het gebed werd zo groot, dat de dag haar te kort was om daaraan te voldoen. De zon was nog niet op of ze lag reeds geknield voor haar Zaligmaker.

Toen Catharina 10 jaar was besloot haar biechtvader pater Andreas Rossi aan haar vurig verlangen gehoor te geven en haar de heilige communie te laten ontvangen. Na de nodige onderrichting bepaalde hij een dag, waarop zij voor het eerst aan dat heilige Gastmaal zou aanzitten. Zij beschouwde zichzelf als het gelukkigste schepsel van de wereld en voordurend sprak zij over niets anders dan over het genot, dat haar te wachten stond. En eindelijk op 25maart 1576 ontving zij de eerste communie in de kerk van de Jezuieten, toegewijd aan de heilige apostel Johannes. Op 19 april 1576 was zij, zoals de gewoonte was op Witte Donderdag, naar de paterskerk gegaan en dacht na over de alles overtreffende liefde, aan de mensen getoond door Jezus, om tot het einde der eeuwen in zijn Hoogheilig Altaarsacrament te willen verblijven als voedsel voor hun zielen. Die overweging zette haar hart in vuur en vlam en deed een brandend verlangen in haar opkomen, Hem op haar beurt iets aan te bieden. Ze dacht hier lang over na. En eindelijk overtuigd dat zij Hem geen groter geschenk kon geven dan haar maagdelijkheid. Vanaf toen wijdde zij zichzelf geheel aan Hem toe door de gelofte van eeuwige zuiverheid.

Toen zij 14 was werd haar vader benoemd tot gouverneur van Cortona. Verplicht Florence te verlaten, besloot hij op raad van pater Blanca, rector van het Jezuieten College, zijn dochter voor haar opvoeding in het klooster van H. Johannes te plaatsen, en hij beval haar bijzonder aan bij moeder Silvagia Morelli. Deze scheiding viel haar moeder zeer zwaar. Maar Catharina zelf was niet zo bedroefd, omdat ze hoopte dat zij zich daar vrijer en vol ijver zou kunnen geven aan het gebed. Pater Blanca eiste wel, toen hij haar in dit huis onderbracht, dat men haar alle feestdagen zou toestaan te communiceren. De religieuzen keurden het goed en die gunst was voor het kind een enorme troost.

Toen Camillus de Pazzi, die maar tijdelijk tot gouverneur van Cortona was aangesteld, door een ander vervangen werd, vestigde hij zich met zijn familie weer in Florence. Nauwelijks had hij zijn woning aldaar betrokken, of ook Catharina kwam terug uit het klooster. Op 16 jarige leeftijd kwam ze erachter dat vader en moeder er ernstig over nadachten haar uit te huwelijken. Als gevolg hiervan nam ze het besluit hun heel openhartig haar voornemens, om religieuze te worden, kenbaar te maken. Maar eerst riep zij de hulp van de hemel in, waarna zij later haar vader als volgt toesprak: Ik mag u niet langer verbergen, dat ik reeds als kind mijn hart geheel aan God heb geschonken en tevens beloofd, mij geheel aan Hem toe te wijden in een klooster. Mochten de plannen die u met mij voorhebt, niet stroken met die gelofte, weet dan dat ik bereid ben, eerder mijn leven te geven, dan er in toe te stemmen een andere Bruidegom te kiezen en zodoende van de religieuze staat af te zien. Haar vader was een godvrezend man en hij wilde zijn dochter geen verdriet doen, daarom zette hij dat hele huwelijksplan uit zijn hoofd. Haar ouders, die uiteindelijk de raad van pater Blanca opvolden, gaven hun toestemming, op voorwaarde dat hij een klooster uit Florence zou uitkiezen, welke zou beantwoorden aan de smaak van Catharina. Hij gaf aan dat het klooster van de Dominicanessen of dat van OLV van de Engelen, van de Karmelietessen, hem wel geschikt leek voor hun dochter. En na overleg koos Catharina ervoor om in te treden bij de Karmelietessen. Zij deed dit 24 augustus 1582, op 16 jarige leeftijd.

Het gebruik was toen dat postulanten 14 dagen in het klooster zouden verblijven, om te zien of dit leven wel voor hun was. En na deze 14 dagen zou men terug keren naar familie, om, evt. een andere weg in te slaan, of om laatste dingen af te handelen voor men definitief terug zou keren naar het klooster. Catharina werd na 10 dagen postulaat door haar moeder naar huis gehaald. Hier bracht zij drie maanden door, voor zij eindelijk de zegen kreeg van haar ouders om terug te keren naar het klooster. En zo verliet zij haar ouderlijk huis op zaterdag voor de eerste Advent, 1 december 1582. Zij deed haar intrede in tegenwoordigheid van haar moeder en andere familieleden. En eindelijk ontving zij op 30 januari 1583, nog geen 17 jaar oud, het religieuze kleed uit de handen van de zeereerwaarden heer Augustinus Campi de Pontremoli, de biechtvader van de zusters. Zij kreeg de naam zuster Maria Magdalena.

Nauwelijks in het noviciaat gaf Maria Magdalena blijk van zoveel godsvrucht en deugd, dat niet alleen de novicen maar ook de oudere zusters door haar gesticht werden. De novicenmeesteres zei eens: Zuster Maria Magdalena is mijn dochter, maar zij zou eigenlijk mijn moeder moeten zijn en ik zou me zelf waarlijk gelukkig achten, door haar geleid te mogen worden op de weg van de religieuze volmaaktheid. Zij legde haar geloften af op 27 mei 1584 op het feest van de Heilige Drievuldigheid.

Maria Magdalena kreeg gedurende haar noviciaat, van 1583 tot 1587, vele geestverrukkingen en sindsdien kwamen deze zoveel voor dat men gerust kan zeggen, dat haar hele religieuze leven een voortdurende extase was. Niet alleen onder haar gebeden en de Heilige Communie stond God haar die gunst toe, maar ook wanneer de gehoorzaamheid haar de eenvoudigste bezigheden deed verrichten. De extases hielden niet alleen uren maar ook soms hele dagen aan. Soms zelfs weken. Gedurende die extases sprak Maria Magdalena zo vlug dat één persoon het niet bij kon houden met schrijven. Daarom stelde men 6 schrijfsters aan. Zo zijn er tal van gesprekken die Maria Magdalena onder geestverrukkingen voerde bewaard gebleven. De Heer verleende Maria Magdalena ook de gave van prophetie. En onze Heilige zag wat op een afstand gebeurde zo duidelijk, alsof zij er ooggetuige van was. Daarnaast verleende God haar ook de gave van wonderen. Zij deed die niet alleen in Florence, maar ook te Lucca, te Parma en in verschillende andere plaatsen, zoals later blijkt uit het proces van haar heiligverklaring.

Op dezelfde dag waarop zij het noviciaat verliet werd ze voor de tijd van 3 jaar, met nog een oudere zuster, benoemd tot gastenmeesteres. Aan haar, die dit ambt bekleedden, was de zorg toevertrouwd voor jonge meisjes uit de wereld, die het klooster in kwamen, om zich te beproeven en haar roeping te leren kennen. Na 3 jaar werd ze van dit ambt ontheven en tot ondermeesteres benoemd van de novicen. Op 1 oktober 1592 werd ze met nog twee zusters tot kosteres benoemd. En in 1595 werd ze meesteres van het juvenaat. Op 11 oktober 1598 werd zij door het kapittel met algemene stemmen tot novicenmeersteres benoemd. Na 3 jaar werd ze herkozen, waarna ze suppriorin werd. In deze bediening stierf ze.

Maria Magdalena droeg er alle zorg voor, dat ‘haar’ novicen er de gewoonte van maakten het goddelijk officie met liefde te bidden, omdat het één der voornaamste plichten van een religieuze is, welke tevens veel bijdraagt tot de glorie van God. Eveneens spoorde zij haar novicen aan, al haar werken, grote en kleine, in- en uitwendige te verrichten met de zuivere bedoeling, om aan God te behagen en zijn glorie te vergroten. Zij was nl van oordeel dat iemand die dat steeds deed en alles, zelfs zijn minste handelingen, al was het maar een oogopslag, aan God opdroeg, na zijn dood onmiddellijk naar de hemel zou gaan.

Haar innige liefde tot Jezus deed haar vurig verlangen zich met Hem te vereenigen. Sinds zij in het klooster was, communiceerde zij in de regel dagelijks, ten minste als ze zich niet verplicht zag medicijnen in te nemen. Wanneer dat echter het geval was, moest ze wel terdege ziek zijn. Men heeft haar dikwijls, als ze door de koorts zo zwak was, dat ze nauwelijks kon staan, toch iedere morgen haar legerstede zien verlaten en zich met de anderen naar de communiebank begeven. Hier hield ze mee op toen het nodig werd haar te dragen. Zij bereidde zich voor tot de Heilige Communie, als zij maar enigszins kon, met alle godsvrucht en nederigheid.

De liefde van onze Heilige voor de naaste kende geen grenzen en boezemde haar de vurigste ijver in voor diens zielenheil. Daarom spande ze graag al haar krachten in zowel naar ziel als lichaam, om hem/haar van dienst te zijn. Indien ik de naaste bemin, dan doe ik dit, omdat God hem naar zijn beeld geschapen heeft, omdat Jezus hem zodanig liefheeft, dat Hij voor hem zijn leven heeft willen geven. Ik benijd het lot van de vogels, die overal heen kunnen vliegen. O! Als ik vleugelen had, gelijk zij, en ik zonder mijn gelofe geweld aan te doen, het klooster kon verlaten, dan vloog ik nog heden weg, naar Indie heen. Daar zou ik dan de kinderen rondom mij verzamelen, om hun onderwijs te geven, om hen Jezus te leren kennen hen Hem hun zielen aan te bieden.

In waarheid kan men getuigen, dat onze Heilige door de beoefening van de deugd van gehoorzaamheid gedurende haar hele leven bijzonder heeft uitgeblonken. Niet alleen was zij gehoorzaam aan God en de Kerk, maar bovendien aan allen, die de Voorzienigheid ook slechts het minst gezag over haar had toegekend. Vol eerbied voor haar leermeesteressen, trachtte zij zelfs aan haar minste verlangens te voldoen. Bij de volmaakte gehoorzaamheid voegde zij zulk een tedere liefde voor de armoede, dat men haar voor een tweede Heilige Franciscus had kunnen houden, wiens geliefde deugd zij in ere herstelde. Men had haar arm celletje eens moeten zien; een stroozak, een kruisbeeld en een evangelieboek, anders was er niets te vinden.

Haar zinspreuk was; Niet sterven, maar lijden. Onder een extase, in 1602, mocht zij van God vernemen, dat haar gebed verhoord was. God voldeed ten volle aan haar verlangen en bezocht haar met een langdurige, pijnlijke ziekte, gepaard met volslagen geestelijke dorheid. In 1604 op het feest van de Heilige Johannes de Doper beloofde God haar wederom in een extase, dat zij tot haar dood nimmer zou ophouden met lijden. Acht dagen na de benoeming tot suppriorin, kreeg zij een hevige koorts aanval, zodat zij zich gedwongen zag in bed te gaan liggen. Onophoudelijk namen haar smarten toe en haar leven liep dagelijks meer en meer gevaar. Te midden van haar pijnen sloeg zij haar ogen ten hemel en dankte God innig. Het was alsof een mes door haar borst sneed, een hamer met verdubbelde slagen haar hoofd beukte. Toch gaf ze nooit een enkel teken van ongeduld, toch hoorde men nooit een enkel ongeduldig woord. Na 5 jaren lang het bitterst lijden ten prooi te zijn gevallen, waren al de geneesheren van oordeel dat zij van het Heilige Oliesel voorzien behoorde te worden, daar zij op zijn hoogst nog 2, 3 dagen in leven kon blijven. Zij stierf op 41 jarige leeftijd, op 25 mei 1607, na 25 jaar in het klooster te zijn geweest.

Het proces voor haar zaligverklaring begon in augustus 1611
Zalig verklaard door Paus Urbanus VIII in 1626
Heilige verklaard door Paus Clemens IX op 28 april 1669

Zij is patrones van Florence en Napels.
In november 2004 werd zij door de Z. Paus Johannes Paulus II als voorbeeld voor de Katholieke Kerk gesteld

 

BRIEF VAN Paus Benedictus XVI
Aan de aartsbisschop van Florence
TER GELEGENHEID VAN DE VIERDE honderdste verjaardag van de DOOD
VAN ST.
 MARIA MAGDALENA DE ‘Pazzi

Zijn Eminentie 
Kardinaal Ennio Antonelli 
Aartsbisschop van Florence

Ter gelegenheid van de vierde eeuwfeest van de dood van Maria Magdalena de ‘Pazzi St, ben ik blij om mezelf te verenigen om de geliefde Florentijnse kerk die wenst te herinneren haar illustere dochter, bijzonder dierbaar als een symbolische figuur van een levende liefde , dat herinnert aan de essentiële mystieke dimensie van elk christelijk leven.

Terwijl met genegenheid groet ik u, Eminentie, en de hele diocesane gemeenschap, Ik dank God voor de gave van deze heilige, die elke generatie als uniek gelegen herontdekt door te weten hoe u een vurige liefde voor Christus en de Kerk te communiceren.

Geboren in Florence op 2 april 1566 en gedoopt in de “mooie St John” lettertype met de naam Caterina, St Maria Magdalena de ‘Pazzi toonde een bepaalde gevoeligheid voor het bovennatuurlijke uit de kindertijd en werd aangetrokken door innige samenspraak met God.

Zoals de gewoonte was voor kinderen van adellijke families, was haar opleiding toevertrouwd aan de Dames van Malta, in wiens klooster kreeg ze haar eerste Heilige Communie op 25 maart 1576, en slechts enkele dagen later is ze verzonden zich aan de Heer voor altijd met een belofte van maagdelijkheid.

Terug te keren naar haar familie, ze verdiept haar gebed leven met de hulp van de paters Jezuïeten, die wordt gebruikt om te komen tot het paleis. Ze slim liet zich niet moet worden geconditioneerd door de wereldse eisen van een omgeving die, hoewel christen, was niet voldoende om haar wens te vervullen om meer vergelijkbaar is met haar gekruisigde Echtgenoot.

In dit verband bereikte ze de beslissing om de wereld te verlaten en de Karmelietessen van Sint-Maria van de Engelen in te voeren in Borgo San Frediano, waar op 30 januari 1583 ontving ze de Karmeliet gewoonte en de naam van Sr Maria Magdalena.

In maart van 1584, viel ze ernstig ziek en vroeg om te kunnen haar beroep te maken voorafgaand aan de tijd, en op 27 mei, feest van de Drie-eenheid, werd ze overgebracht naar het koor op haar pallet, waar ze uitgesproken vóór de Heer haar geloften van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid tot in eeuwigheid.

Vanaf dit moment een intense mystieke seizoen begon dat was ook de bron van grote extatische roem van de heilige. De Karmelieten van de Heilige Maria van de Engelen hebben vijf handschriften die zijn opgenomen de buitengewone ervaringen van hun jonge zuster.

“De Veertig Dagen” van de zomer van 1584 worden gevolgd door “De colloquia” van de eerste helft van het volgende jaar. De top van de mystieke kennis die God verleend van zichzelf aan Sr Maria Magdalena is te vinden in “Openbaringen en intelligenties”, acht dagen na prachtige ecstacies uit de vigilie van Pinksteren tot aan de Feestdag van de Drie-eenheid in 1585. Dit was een intense ervaring die haar in staat gesteld op slechts 19-jarige leeftijd te overspannen het hele mysterie van de verlossing, van de menswording van het Woord in de schoot van Maria aan de afdaling van de Heilige Geest op Pinksteren.

Vijf lange jaren van Binnenlandse Zaken zuivering gevolgd – Maria Magdalena de ‘Pazzi spreekt er in het boek “De Reclassering” – waarin haar echtgenoot, het Woord, neemt het gevoel van genade en laat haar als Daniël in de leeuwenkuil, temidden van vele beproevingen en grote verleidingen.

Dit is de context waarin haar vurige gehechtheid aan de Kerk te vernieuwen plaatsvindt, waarna in de zomer van 1586, pracht van het licht van de hoge kwam bij haar de ware toestand van de post-Tridentijnse tijd tonen.

Net als Catharina van Siena, voelde ze zich “gedwongen” om brieven te schrijven sommige van smeekbede aan de paus, kardinalen Curial, haar aartsbisschop en andere kerkelijke personages, voor een beslissende inzet voor “De renovatie van de kerk”, zoals de titel van het manuscript dat bevat hen zegt. Het bestaat uit 12 letters gedicteerd in extase, misschien nooit verstuurd, maar die nog wel als een getuigenis van haar passie voor de Sponsa Verbi .

Met Pinksteren van 1590 haar moeilijke proef beëindigd. Ze beloofde om zich te wijden met al haar energie aan de dienst van de gemeenschap en in het bijzonder de vorming van de novicen. Sr Maria Magdalena had de gave om de gemeenschap met God te leven in een steeds meer binnenruimte vorm, om zo een referentiepunt voor de hele gemeenschap die vandaag nog steeds haar “moeder” te overwegen geworden.

Het gezuiverde liefde die klopte in haar hart opende haar te begeren volledige overeenstemming met Christus, haar echtgenoot, zelfs tot het delen met hem de ‘naakte lijden “van het Kruis. Haar laatste drie jaar van zijn leven waren een ware calvarieberg van lijden voor haar. Verbruik begon duidelijk te manifesteren: Sr Maria Magdalena was verplicht om iets te trekken bij beetje van het gemeenschapsleven om zich onder te dompelen steeds meer in “naakte lijden voor de liefde van God”.

Ze werd onderdrukt door afschuwelijke lichamelijke en geestelijke pijn die duurde tot haar dood op vrijdag de 25 mei 1607. Ze overleed op 3 uur, terwijl een ongewone vreugde doorgedrongen in het hele klooster.

Binnen 20 jaar van haar overlijden de Florentijnse Paus Urbanus VIII was al uitgeroepen tot haar Gezegend. Paus Clemens IX ingeschreven haar in de Roll van de Heiligen op 28 april 1669.

Haar lichaam is gebleven ongeschonden en is de bestemming van constante bedevaarten. Het klooster waar de Sint gewoond is tegenwoordig de zetel van het Aartsbisschoppelijk Seminarie van Florence, die haar vereert als hun Patron, en de cel waar ze gestorven is uitgegroeid tot een kapel in wiens stilte kan men nog steeds het gevoel haar aanwezigheid.

St Maria Magdalena de ‘Pazzi blijft een inspirerende spirituele cijfer voor de karmelieten nonnen van de Oude Observantie. Ze zien in haar de “zuster” die heeft gereisd de hele weg van het transformeren van de vereniging met God en die vindt in Maria, de “ster” van de weg naar perfectie.

Deze grote Saint heeft voor iedereen de gave van een spiritueel leraar, in het bijzonder voor de priesters, aan wie ze altijd een ware passie gevoed.

Ik hoop echt dat de huidige jubileum viering van haar dood zal bijdragen tot het maken van deze lichtgevende cijfer dat ooit beter bekend, die zich manifesteert op alle waardigheid en schoonheid van de christelijke roeping. Zoals, terwijl ze nog leefde, grijpen de klokken ze haar zusters spoorde met de kreet: “Kom en liefde Love”, kan de grote mysticus, uit Florence, uit haar Seminary, van de Karmelieten kloosters die hun inspiratie putten uit haar, nog steeds maken haar stem laten horen in de hele Kerk, verspreidt naar elk menselijk schepsel de proclamatie om God lief.

Met deze wens, ik vertrouw u, Eerwaarde Broeder, en de Florentijnse kerk naar de hemelse bescherming van de Heilige Maria Magdalena de ‘Pazzi en hartelijk te geven aan allen een speciale Apostolische Zegen.

Vaticaan, 29 April 2007

top

Een reactie plaatsen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

  • Welkom

    (klik foto)

  • Index Heiligen – volg. geboorte jaar

    Heiligen t/m1600:

    Elia
    Jeanne van Toulouse
    Johannes Soreth
    Teresa van Jezus
    Johannes van het Kruis
    Anna van St. Bartholomeus
    Maria Magdalena de Pazzi

    Heiligen t/m1850

    Maria Margareta van de Engelen
    Maria van de Engelen
    Karmelietessen van Compiègne
    Rafaël van de Heilige Joseph

    Heiligen t/m1900

    Thérèse van het Kind Jezus
    Maria Pilar, Teresia en Maria Angeles
    Elisabeth van de Drieeenheid
    Titus Brandsma
    Teresia Benedicta van het Kruis
    Maria Maravillas van Jezus

    Heiligen vanaf 1900

    Teresa de Jesús

  • Afbeeldingen (klik foto)

  • “Breng mij Heer naar het dal van de Kerit”

    (klik foto)

  • Tot het hart

    Voor ons is God niet simpelweg het Woord. In de Sacramenten geeft Hij zichzelf persoonlijk aan ons, door middel van fysieke werkelijkheden. In de kern van onze relatie met God en onze levenswijze staat de Eucharistie. Dat oprecht vieren, en zo Christus persoonlijk ontmoeten, moet de kern van al onze dagen zijn.
    P. Benedictus XVI

  • Stuur een kaart

    Stuur een kaart

    klik foto

  • Tot het hart

    Jezus, ik dank U om mijn roeping. Zeg mij wat dit vraagt aan weder liefde. Leer mij in het hart van Uw Kerk als Maria te zijn: levend vanuit het gebed, beeld van Uw goedheid, dienend in, niet van de wereld. Geef al mijn broeders en zusters een blij geloof, fris als de Karmelhoogte en trouw in moeilijke uren. Maar ons één en geef dat wij U eens mogen zien van aangezicht tot aangezicht. Amen.

  • (klik foto)

  • Tot het hart

    We kunnen van ons hart een bidplaats maken waar we ons nu en dan terugtrekken om even met God samen te zijn, in stille vrede, zonder pretentie, en met een hart dat bemint.

  • Twitter Updates

  • Tot het hart

    „Het leven van een karmelietes is een communie met God van de morgen tot de avond en van de avond tot de morgen. Als onze cellen en panden niet vol waren van Hem, wat zouden ze leeg zijn. Maar we zien Hem door alles heen. We dragen Hem in ons. Ons leven is een vooruitbeleven van de hemel” (Br. 46).
    Z. Elisabeth van de Drie-eenheid

  • Getijdengebed


    (klik foto)

    gebruikersnaam: getijdengebed
    wachtwoord: brevier

  • december 2016
    Z M D W D V Z
    « Nov    
     123
    45678910
    11121314151617
    18192021222324
    25262728293031
  • Rozenkrans


    (klik foto)

  • Tot het hart

    "Neem niets als waarheid aan wat geen liefde heeft. En neem ook niets aan als liefde wat geen waarheid bezit, het ene zonder het andere verandert in een leugen, een vernietigende leugen "
    H. Teresa Benedicta van het Kruis

  • Enter your email address to subscribe to this blog and receive notifications of new posts by email.

    Doe mee met 697 andere volgers

  • Follow Ordo Carmelitarum Discalceatorum Secularis on WordPress.com
  • Radio Maria


    (klik foto)

%d bloggers op de volgende wijze: