Heiligen t/m 1850


Maria Margareta van de Engelen
1605 – 1658

Maria Margareta van Valckenisse werd in 1605 te Antwerpen geboren. Zij was de dochter van de zeeuwse edelman Philip van Valckenisse, heer van Heymissen, en zijn vrouw jonkvrouwe Catharina van Dycke. Het leven van Maria Margareta viel in een tijd van politieke en godsdienstige gistingen, van stromingen en tegenstromingen. De kerk had volgens velen gefaald, de reformatie was bezig meer en meer veld te winnen. Maar ook in de moederkerk waren krachtige hervormers aan het werk om het oude geloof van verdergelijke uitwassen te bevrijden en in zijn oorspronkelijke waarde te herstellen.

De kloosters vormden hierbij geen uitzondering. Het was de tijd van Teresa van Avila en Johannes van het Kruis. Zij keerden zich beiden tegen de verwereldlijking en ijverden voor een strengere naleving van de oude Regel. Veel jonge mensen voelden zich aangetrokken door deze nieuwe geest van onthechting en soberheid en telkens lezen we weer van nieuwe karmelstichtingen in Belgie, Frankrijk en natuurlijk Spanje. Ook in het hart van Maria Margareta vonden deze nieuwe impulsen weerklank. Reeds vroeg was zij geconfronteerd met de onzekerheden van het leven: haar vader stierf toen zij 9 jaar oud was en nog maar 6 jaar later overleed haar moeder. Van de 6 kinderen waren er toen nog maar 3 in leven. Maria Margareta en 2 broers, van wie de jongste eveneens monnik werd in de Orde van de Ongeschoeide Karmelieten.

Behalve de eerste gelukkige en onbezorgde kinderjaren in het ouderlijk huis kende Maria Margareta slechts het leven bij vreemden. Eerst op kostscholen en later in het roezige huis van haar voogd, dhr. Van Schabroeck, die als vooraanstaand, in de politiek geinteresseerde Antwerpenaar veel gerenommeerde mensen bij zich ontving. Gemeten naar menselijke maatstaven scheen de toekomst van freule van Valckenisse verzekerd: telg van een voornaam geslacht, invloedrijke familieleden, volgens tijdgenoten een knappe, gedistingeerde verschijning. Alle voorwaarden voor een briljant huwelijk waren aanwezig. Maar de jonge Vlaamse droomde van een andere toekomst. Zij verkoos de stilte van de Karmel boven de glamour van de uitgaande wereld. In een kring van vrouwen die bezield waren door hetzelfde ideaal wilde zij een leven leiden van offer en gebed naar het woord van Paulus: Sine intermissione orate – Bid zonder ophouden!

Veel weerstanden moesten overwonnen worden om dit doel te bereiken, maar eindelijk kwam dan toch de dag in zicht waarop zij als postulante zou intreden in de Orde van de Ongeschoeide Karmelietessen te Antwerpen.

Psychisch had het jonge meisje veel geleden, eerst door het vroege gemis van haar ouders, dan door de goedbedoelde bemoeizicht en langdurige tegenkanting van familieleden en hooggeplaatste vrienden die haar neiging tot het kloosterleven niet billijkten. Ze werd dan ook ernstig ziek toen het eenmaal zover was en zij de toestemming van haar voogd had verkregen. Op 17 november 1624, de dag dat zij zou intreden verergerde haar toestand. Haar ledematen waren als verlamd en ze kon nauwelijks zien of horen. Voor haar omgeving was het duidelijk, dat zij onder deze omstandigheden niet naar het klooster kon vertrekken. Door tekens echter gaf zij te kennen dat ze bij haar voornemen wilde blijven. Men durfde zich niet langer te verzetten en droeg haar tenslotte naar het rijtuig, waarmee zij, begeleid door haar oudste broer en haar voogd, naar de Karmel reed.  De toenmalige priorin van de Antwerpse Karmel was de Spaanse Moeder Anna van St. Bartholomeus

Het was een sobere plechtigheid. Maar met een gretige onstuimigheid beleefde Maria Margareta haar noviciaat. En in die tijd, voor ons moderne mensen zo onbegrijpelijk, werden er vele onnodig schijnende offers gebracht, vernederingen en vrijwillige verstervingen die maar al te vaak tot een algehele ondermijning van de lichaamskrachten leidden en waarvan zij in latere jaren zoveel spijt had. “Want”, zo zei zij, “had ik mijn lichaam maar wat meer ontzien dan had ik God langer kunnen dienen”. Zij werd dan ook kort voor haar professie opnieuw ernstig ziek en het leek er op dat de plechtigheid niet zou kunnen doorgaan. Doch ook deze keer herstelde zij wonder boven wonder en tegen alle verwachtingen in werd zij op 21 november 1625 alsnog geprofest.

Maria Margareta was zacht van aard, blijmoedig en evenwichtig. Ze hield van planten, bloemen, vogels, in één woord van al het Geschapene en werd niet moede te observeren hoe ieder schepsel op zijn eigen wijze leeft om de wil van de Schepper te volbrengen. Niet lang na haar professie stierf Moeder Anna en weer had Maria Margareta iemand verloren die haar zeer dierbaar was.

De jaren gingen voorbij: gebed, meditatie, hard werken, op tijd blij zijn en altijd bereid te helpen binnen en buiten het klooster. Zo verliep haar leven tot op de dag waarop Silvester Lintermans in de spreekkamer van het Antwerpse klooster zijn voorstel om in zijn geboorteplaats een nieuwe Karmel te stichten te berde bracht. In eerste instantie schrokken de priorin en haar medezusters van dit plan. Ook Maria Margareta stond er aanvankelijk afwijzend tegenover  en men zal dit begrijpen wanneer men de volgende passage leest, die ontleent is aan het Oirschotse Archief:

’20 oct. 1629 was het plakkaat afgekondigd waarbij de stad en Meijerij gereformeerd verklaard werd. De synode vaardigde een predikant af “om alle afgoderij en superstitie uit de stad en Meijerij te weren” en de wens der predikanten werd ingewilligd, ofschoon Frederik Hendrik zich daartegen verzette. Bij gebrek aan genoegzame predikanten werden in 1631 de kerken gesloten; daarna volgde 2 febr. 1636 het beruchte plakkaat van de Retorsie…. Van toenaf hield alle openbare godsdienst in de Meijerij op. Staatsbrabant werd behandeld volgens het ius belli en met het zwaard beproefde men nu voorgoed de Hervorming er in te voeren. Het werd verpletterd onder de belastingen; de dorre heidegronden moesten ééns zoveel opbrengen als de vruchtbare akkers van Holland en Gelderland. De vervolgingen enz. bleven tot 1673, toen de inval van Lodewijk XIV geheel Nederland op zijne grondslagen deed beven en den Katholieken de eerste ogenblikken van verademing aanbracht.’

Moeilijker tijden en moeilijker omstandigheden om een klooster te stichten waren nauwelijks denkbaar. En toch begonnen drie Karmelietessen uiteindelijk dit avontuur. Op 21 mei 1644 arriveerden de zusters vergezeld van Lintermans en zijn dochter te Oirschot nadat zij van tevoren een kort bezoek hadden gebracht aan de kapel van de Heilige Eik, in die tijd reeds een bijna twee eeuwen oude bedevaartsplaats.

Moeder Maria Margareta ab Angelis was een mystica, zoals Teresa van Avila. Zij had in hoge mate die verticale gerichtheid, zonder ophouden zoeken naar het Aangezicht van God. Moeder Maria Margareta kon in de zielen van de mensen lezen en bracht soms onder woorden wat zij zag. Ze probeerde allen die haar benaderden op te wekken tot hoger geestelijk leven en bleef bidden voor hen die in zielenood verkeerden. Men bericht dat ze ook de gave van bilocatie bezat en vertelt dat ze in haar geest gebeurtenissen zag die elders plaatsvonden. Van menigeen heeft zij het stervensuur voorspeld.

Eind 1645 telde de communiteit behalve Maria Margareta reeds zes of zeven zusters. Bezield en bezielend verrichtte de priorin haar kloostertaak en ging rustig door met haar werk. En ze werkte hard, onze Vlaamse edelvrouwe. Ze hielp in de keuken, zorgde voor de zieken, maakte medicijnen gereed, bekommerde zich om de verbouwing en de werklieden, stond vele bezoekers te worod en gaf raad en hulp zoveel zij kon. Zij gunde zich maar enkele uren nachtrust en wanneer nog iedereen in het klooster sliep zat zij al weer aan haar werktafel om de talrijke correspondentie af te doen, tot het gemeenschappelijk gebed haar naar de kapel riep.

Goedheid was haar voornaamste karakterstrek. Zij die zo absoluut wist te gehoorzamen, was zeer bescheiden in het gebieden. Nooit kwam er een bevel over haar lippen, het was steeds een vriendelijk verzoek. Ondanks al haar mystieke neigingen had zij een reele kijk op het dagelijkse leven. Een van haar stelregels luidde: “Je moet je gezond verstand gebruiken om je plannen te doen slagen, maar vooral op God vertrouwen”.

Ondanks de in die tijd donkere dreigingen vierden de Karmelietessen op 21 november 1650 dankbaar en blij het zilveren kloosterfeest van de priorin. Maria Margareta liet hen begaan, hoewel zij allerminst in feeststemming was. Ze voelde zich vaak ziek en wist dat haar geen lang leven beschoren was. Dit was haar in een visioen geopenbaard en ook dat na haar dood de Oirschotse Karmel niet zou blijven voortbestaan. Ze wilde de zusters vooral sterken en een houvast meegeven voor de moeilijke toekomst die hun wachtte. Wat zij haar communiteit ter navolging op het hart drukte was dit: “Onthechting van het aardse, maar geen overdreven verstervingen. Het zoeken van Jezus’ liefde. Geen overdreven gevoeligheden in de omgang met elkaar, wel elkaar steunen door het goede voorbeeld. Beheersing, waardigheid, nederigheid”.

De gezondheid van Maria Margareta ging nu snel achteruit. In 1656 baarde haar toestand bijzonder veel zorg. Men dacht dat ze zou sterven. Ze werd weer beter, maar een half jaar later kwamen de pijnen verhevigd terug. Soms kwelden zij haar nachten lang. Dan liep ze voorzichtig de gangen op en neer om de zusters niet te storen of zat biddend op de rand van haar bed. Op 5 februari 1658 werd Moeder Maria Margareta ab Angelis uit haar lijden verlost. Ze ontsliep te midden van haar medezusters. Het gerucht van haar dood verspreidde zich ras. De rouwende stroomden van heinde en ver toe. Vlak bj de tralies van het koor lag zij opgebaard in haar kastanjebruine habijt, een krans van bloemen op de zwarte sluier. In de gevouwen handen het professiekruis en de eigenhandig geschreven geloften. De ontblote voeten toonden de lang geheim gehouden stigmata.

Het lichaam van de priorin dat vanwege de vinnige kou niet begraven kon worden, vertoonde ook later na het invallen van de dooi nog geen sporen van bederf. Wel begon er nu een soort zoet geurende olie uit het lichaam te vloeien en men herinnerde zich verbaasd de meer dan eens door haar geuitte wens om na haar dood als olie te mogen opbrangen voor Jezus in het Heilig Sacrament.

In 1931 vestigde zich opnieuw een gemeenschap van Ongeschoeide Karmelietessen in het voormalige kloostergebouw. Zij stelde vergeefse pogingen in het werk om Maria Margareta van Valckenisse zalig te laten verklaren. Sinds het jaar van de herstichting is er alles aan gedaan om de relieken van de Heilige Non zoveel mogelijk terug te halen naar het huis waar zij is gestorven. In 1991 zijn de voorwerpen die herinneren aan de Heilige Non, zowel gebruiksvoorwerpen als delen van haar ‘onvergankelijke’ lichaam, tentoongesteld op de zolder van de kapel waarin het lichaam van de ‘Heilige Non’ tussen 1658 en 1663 had opgebaard gelegen.

top

Zalige Maria van de Engelen, 1661-1717

2011 Feest ter herinnering aan de geboorte, 350 jaar geleden, van de Zalige Maria van de Engelen.

7 Januari 2011, Moncalieri, Italië. De Aartsbisschop van Turijn, Mgr. Cesare Nosiglia, gaat voor in een pontificale mis in de Carmel van Moncalieri. Dit feest staat in het teken van de 350ste verjaardag van de geboorte van de Zalige Maria van de Engelen, Ongeschoeide Karmelietes.

Ter herinnering aan de geboorte van de stichteres van de Karmel van St. Joseph van Moncalieri,  zoals de gemeenschap van Ongeschoeide Karmelietessen en het organisatie comité voorstelt, wordt er een jaar feest gevierd, een “Jubileum Jaar”. Beginnend op de 8ste januari en eindigend op de 16edecember, op het liturgische feest van de Zalige.

Dit jaar van gebed, van historisch onderzoek en spiritualiteit, samen met ons Karmel charisma, zal ver buiten de grenzen van de locale Karmel van Moncalieri reiken. Tegelijkertijd zal er herdacht worden dat zij de eerste Karmelietes in Italië is geweest die Zalig is verklaard, wat plaatsvond in 1865 door Paus Pius IX.

Zowel de Karmel, als het bisdom van Turijn, willen gedurende het jaar de krant in herinnering brengen welke de Zalige Maria van de Engelen heeft uitgegeven in samenwerking met de Sociëteit van Victor Amadeo II, maar ook in het bijzonder de invloed welke de Zalige had in de gemeenschap van die tijd en de devotie welke na haar dood is ontstaan.

Onder alle Heiligen die uit het bisdom van Turijn komen, is de Zalige Maria van de Engelen de enige uit Turijn zelf. De Heilige Johannes Bosco was verantwoordelijk voor het schrijven van haar biografie, ten tijde van haar zalig verklaring.

Zalige Maria van de Engelen

De Zalige Maria van de Engelen, Marianna Fontanella, is geboren op 7 januari 1661 in Turijn, in een gezin met elf kinderen, waar zij de 11de was. Haar vader was Graaf John Donatus Fontanella di Baldissero en haar moeder gravin Maria Tana di Santana. Op 14 jarige leeftijd, haar vader was al gestorven, ging zij tegen het uitdrukkelijke verbod van haar moeder in om toe te treden tot de Ongeschoeide Karmel. Op 19 november 1676 trad zij in het klooster van de Heilige Christine, een klooster van Ongeschoeide Karmelietessen, gesticht door de prinses van Savoy op 30 april 1639, in Turijn, waar zij de kloosternaam nam van Maria van de Engelen.

Zij kreeg de taak van novice meesteres en priorin van het klooster meerdere malen. Zij had een grote voorliefde voor de Heilige Joseph, en tot haar grote vreugde, riep het bisdom van Turijn in 1696 haar patroonheilige tot Heilige van de stad van Turijn uit. In het jaar 1703 stichtte zij het klooster van Moncalieri.

Op 16 december 1717, na een kort ziekbed, stierf zij in het klooster van de Heilige Christine in Turijn. Zij liet vele brieven achter en enkele spirituele autobiografische teksten. Haar relieken rusten in de Kerk van de Heilige Teresa in Turijn, onder een magnifiek altaar, gecreëerd door de architect Juvenal Delponte. De Zalige rust tegenover een monumentale kapel opgedragen aan haar Patroonheilige, St. Joseph, een meesterstuk van Philip Juvara. Haar feest is op 16 december.

Acts of Virtue mp3
Purity mp3

Zalig verklaard in 1865 door Paus Pius IX.

top

Karmelietessen van Compiègne, † 17 juli 1794
Martelaressen van onze Orde

De Gemeenschap van de Ongeschoeide Karmelietessen in Compiègne (Oise, Frankrijk) is gesticht in 1641, vanuit het klooster te Amiens. In zeven jaar functioneerde het Slot met de Kerk, opgedragen aan de Annunciatie. De Gemeenschap bloeide van ijver en was bekend voor zijn naleving en trouw aan de Teresiaanse spiritualiteit. De zusters genoten van de liefde en achting van de Fransen uit hun directe omgeving.

Tijdens de Franse Revolutie, weigerde de zusters echter hun karmelhabijt af te leggen. En tussen juni en september 1792, toen de ongeregeldheden toenamen, volgden alle zusters hun priorin Teresa van de Heilige Augustinus, en offerden zij zichzelf aan de Heer als een brandoffer, om de woede van God te verzachten. Zodat de goddelijke vrede, naar de wereld gebracht door Zijn geliefde Zoon, terug kon keren naar Zijn Kerk en de Franse Staat. Deze daad van toewijding, ook gedaan door twee oudere zusters die eerst bang waren bij de gedachte aan de guillotine, werd een dagelijks offer van de zusters, tot de dag van hun martelaarschap, welke twee jaar later zou plaatsvinden.

Verdreven van hun klooster op 14 september 1792, bleven de zusters hun leven voortzetten van gebed en boetedoening. Zij werden verdeeld in vier groepen, verspreid over Compiègne, maar zij bleven verenigd in liefde en in correspondentie onder het wakende oog van priorin Teresa van de Heilige Augustinus. Zij werden snel ontdekt en ontbonden door het comité van de revolutie op 24 juni 1794. Zij werden gevangen genomen en samen opgesloten in Sainte-Marie, het vroegere klooster van de Visitatie, maar toen omgevormd tot een gevangenis. Vanuit Compiègne werden er 16 zusters naar Parijs gezonden, waar zij aankwamen op 13 juli en waar zij direct werden opgesloten in de vreselijke gevangenis van Conciergerie, welke al helemaal gevuld was met priesters en andere religieuzen en veroordeelden.

De zusters waren voorbeelden van rust en sereen vertrouwen in God en tegelijkertijd, voorbeelden van totale gehechtheid aan Jezus en Zijn Kerk. Zij wisten ook hoe zij een straal van vreugde om zich heen konden verspreiden, zoals gebeurde op 16 juli, het feest van OLV van de Karmel. Eén van de 16 zusters vroeg kalm aan een gevangene met meer vrijheid om iets voor mee te schrijven: toen, gebruikmakend van verkoolde takjes, schreef zij een lied van vreugde en van verzoek, in afwachting van het martelaarschap. Zij schreef het op de melodie van de Marseillaise.

De volgende dag, tijdens een farce van een rechtszaak, kregen de zusters de kans hun moed te tonen. De 16 zusters van de Ongeschoeide Karmel werden ter dood veroordeeld door het Revolutionaire Tribunaal, voor hun trouw aan het religieuze leven, voor hun fanatisme (speciaal voor hun bijzondere devotie tot de Heilige Harten van Jezus en Maria), en voor hun verbondenheid met de gevormde autoriteiten. Toen zij werden overgedragen, in een kar, naar de Barrière du Trône voor de terechtstelling, vergezeld van de stilte van het gedrang, zongen de zusters het ‘Heer onferm U’, het ‘Salve Regina’ en het ‘Te Deum’. Bij aankomst aan de voet van het schavot, zongen zij het ‘Veni Creator’, en één voor één vernieuwde zij hun Gelofte tegenover de priorin, waarna zij onthoofd werden. De laatste die werd onthoofd was Moeder Teresa van de Heilige Augustinus, zij had haar dochters goed voorbereid op het martelaarschap en zij had zich gerealiseerd, op een geweldige manier, wat zij als laatste zou moeten zeggen: ‘Liefde zal altijd overwinnen’. ‘Wanneer iemand liefheeft, kan hij alles’.

Het martelaarschap, welke begon op 17 juli 1794, laat wederom de onverwoestbare kracht van de liefde van Christus zien.

Uit bestaande documenten en van getuigenverklaringen van de drie zusters van de Gemeenschap van Compiègne, die de vervolgingen overleefden, kunnen we een vrij aardige complete lijst maken van de 16 zusters welke ter dood zijn gebracht, met hun kloosternamen en, tussenhaakjes, wereldse namen:

Teresa van de Heilige Augustinus (Mary Magdalen Claudina Lidoine), priorin, geboren in Parijs op 22 september 1752; 
Zuster St. Aloysius (Mary Anne Frances Brideau), sub-prioress, geboren in Belfort op 7 december1751; 
Zuster Anne Mary van de Gekruisigde Jezus (Mary Anne Piedcourt), geboren in Parijs op  9 december 1715; 
Zuster Charlotte van de Opstanding (Anne Mary Magdalen Thouret), geboren in Mouy (Oise) op 16 september 1715; 
Zuster Euphrasia van de Onbevlekte Ontvangenis (Mary Claudia Cypriana Brard), geboren in Bourth (Eure) op 12 mei 1736; 
Zuster Henrietta van Jezus (Mary Frances de Croissy), geboren in Parijs op 18 juni 1745; 
Zuster Teresa van het Hart van Maria (Mary Anne Hanisset), geboren in Rheims (Marne) op 18 januari 1742; 
Zuster Teresa van de Heilige Ignatius (Mary Gabriëlla Trezel), geboren in Compiègne op 4 april 1743; 
Zuster Julia Louise van Jezus (Rose Christiana de Neuville), geboren in Evreux (Eure) op 30 december 1741; 
Zuster Mary Henrietta van de Voorzienigheid (Mary Annette Peiras), geboren in Cajarc (Lot) op 16 juni 1760; 
Zuster Constance (Mary Genevieve Meunier), novice, geboren in Saint-Denis (Seine) op 28 mei 1765; 
Zuster Mary van de Heilige Geest (Angelica Roussel), lekenzuster, geboren in Fresne-Mazancourt (Somme) op 3 augustus 1742; 
Zuster van de Heilige Martha (Mary Dufour), lekenzuster, geboren in Bannes (Sarthe) op  2 oktober 1741; 
Zuster van de Heilige Franciscus Xavier (Elizabeth Julietta Verelot), lekenzuster, geboren in Lignieres (Aube) op 13 januari 1764; 
Zuster Catherine Soiron, buitenzuster, geboren in Compiègne op 2 februari 1742; 
Zuster Teresa Soiron, buitenzuster, geboren in Compiègne op 23 januari 1748.

De lichamen van de 16 martelaressen werden in een gemeenschappelijk graf begraven, samen met de lichamen van andere veroordeelden, een plaats wat later de begraafplaats van Picpus werd, en waar een steen getuige is van hun martelaarschap. Delen van hun kleding, welke in de wasserij van de Conciergerie waren gebleven toen zij terechtgesteld werden, werden bewaard en twee of drie dagen later aan de Engelse Benedictinessen van Cambrai gegeven, welke ook gevangen zaten, maar later vrij gelaten werden. Deze dierbare kledingstukken worden tot aan de dag van vandaag in de Abdij van de Benedictinessen van Stanbrook, Engeland bewaard. Andere dierbare relieken en geschriften van de martelaressen zijn: brieven, gedichten en aantekeningen. Deze werden op schrift gezet, samen met andere documentatie van grote waarden, door Vader Bruno van Jezus Maria, in zijn grote werk ‘Le sang du Carmel ou la veritable passion des seise Carmelites de Compiègne’, Paris 1954

De martelaressen werden Zalig verklaard door Paus Pius X op 13 mei 1906
Gedachtenis 17 juli

DIALOGUES DES CARMELITES,uit 1960 Dialogues des Carmélites, gecomponeerd in 1957, is de omvangrijkste opera van Francis Poulenc (1899-1963). Poulenc schreef een aangrijpende partituur. Als geen ander lukte het hem om subtiele, melancholische melodieën te schrijven die erg dicht bij de logica van de spreektaal aanleunen. Naast die zin voor lyriek zijn het vooral de typisch Poulenciaanse harmonieën die opvallen: aan de oppervlakte lijkt er een tonale grond te zitten, maar toegevoegde dissonanten of verrassende wendingen zetten de luisteraar steeds maar weer op het verkeerde been. Poulenc kleurde die harmonieën in door een uitzonderlijk orkestratietalent. De dreigende kopers in de slotscène, de passionele strijkerslyriek in het duo tussen Blanche en haar broer, het zijn maar enkele voorbeelden van Poulencs fijnzinnige dramatische feeling. Centraal in de opera staat Blanche, een meisje dat uit angst voor de wereld bij de karmelietessen intreedt. In het klooster ervaart ze dat een religieuze roeping niet zomaar een transactie is met God, namelijk zekerheid en houvast in ruil voor gebeden en gehoorzaamheid. Blanche leert haar eigen angsten te aanvaarden, maar verlaat de religieuze orde wanneer blijkt dat het geweld van de Franse Revolutie geen halt houdt voor de kloostermuren. Moedig en loyaal volgt ze uiteindelijk toch de zusters op het schavot. Het verhaal gaat terug op waar gebeurde feiten, overgeleverd door de enige overlevende non van een kloostergemeenschap uit Compiègne.

top

Rafaël van de Heilige Joseph Kalinowski, 1835-1907
Priester van onze Orde

Geboren in Vilna op 1 september 1835, in een edele familie. Joseph Kalinowski was een vrome en intelligente jongen. Na 7 jaar studie aan het Instituut van Nobelen, en een gouden mediale verdient bij zijn diplomering, ging hij naar de landbouw school van Horki voor een jaar. In 1835 ging hij naar de Academie van Militaire Ingenieurs te Petersburg. Hij sloot de studie af met de rang van luitenant in 1857, waarna hij assistent bleef van een wiskunde professor.

Na de leiding overgenomen te hebben van de militaire ingenieurs in Petersburg (1859), werd hij gezonden naar Kursk en naar Odessa, met de opdracht de planning van de spoorwegen tussen Kursk-Kiev-Odessa op zich te nemen, en daarna werd hij aangesteld op de vesting van Brest-Litowski (1860). In 1862 werd hij bevorderd tot kapitein van de generale staf. Het waren drukke jaren, maar ook van diepgaand geloof, liefdadigheid, gebed en theologie studie. Maar zijn leven als Christen was niet op een dergelijk niveau als hij later zou wensen. Zijn gezondheid maakte dat hij zich terug moest trekken op 5 mei 1863; hij ontving een aanbeveling vol lof van Alexander II van Rusland.

In dat zelfde jaar begon de opstand tegen Rusland. Kalinowski had zich al in 1862 in Brest-Litowski tegen de eerste revolutionaire bewegingen uitgesproken, en gewezen op de gevaren, daar hij niet vond dat Polen nood had aan bloed vergieten, maar nood had aan werk. Desondanks, onder druk van de gebeurtenissen en na lang gebed besloot hij, tijdens zijn aanwezigheid in Warschau, zich aan te sluiten bij de opstand. In mei trad hij toe tot de Nationale Regering en werd minister van oorlog in Lithuania, een taak welke hij aanvaarde met de uitdrukkelijke conditie dat hij niemand ter dood zou hoeven te veroordelen. In juni, in Vilna, werd één van de leiders van de opstand, Sigismund Sierakowski, opgehangen. Kalinowski, die aanwezig was, viel op zijn knieën en besloot van toen af zijn leven te wijden in dienstbaarheid aan God.

Korte tijd daarna, om middernacht tussen 25 en 26 maart 1864, werd hij gevangen genomen en vast gezet in het vroegere klooster van de Dominicanen, waar de regelmaat van het kloosterleven nog werd aangehouden. Gebed, meditatie en Eucharistie. Maar boven alles, besloot Kalinowski terug te keren naar het Sacrament van de biecht. Hij bad vaak en hij overdacht de mysteries van de Passie van Christus; maar hij had nog geen echt beeld van de toekomst. Hij dacht erover om toe te treden tot de Kapucijner Minderbroeders. Ondertussen doofde de opstand. Kalinowski gedragen door zijn eerlijkheid en uit angst geen onschuldigen te veroordelen, bekende zijn gehele rol in de opstand en hij werd veroordeeld tot de dood door de overheid van Murawiew. Een veroordeling die later werd omgezet in 10 jaar dwangarbeid in het Oosten van Siberië.

Hij vertrok naar Siberië nadat hij geestelijk gesterkt was en verzocht had om het Nieuwe Testament, het boek Job en de Psalmen, en de Navolging van Christus. Hij bereikte de zout mijnen van Usolje-Sibirskoje in 1865, en verbleef daar tot 1868, het jaar waarin amnestie verleend werd en zijn straf werd omgezet in verbanning. Hij vestigde zich in Irkutsk, dicht bij het Bajkal meer, bij de grens van Mongolië. Daar droeg hij zijn apostolaat uit, ook al was hij bedrukt door lichamelijk en moreel lijden, het verfijnde zijn geestelijk leven en zijn vereniging met God eens te meer.

Hij verliet Irkutsk in 1872, maar moest nog twee jaar blijven in het oosten van Rusland volgens de wet. Hij koos Perm, maar verliet het een jaar later vanwege zijn gezondheid welke afnam. Zijn laatste bevrijding vond plaats in 1874, maar het werd hem specifiek verboden om van Lithuania zijn woonplaats te maken. De jaren in Siberië en de verbanning waren jaren van grote genade voor Kalinowski. Iedere getuigen en zijn mede bannelingen waren unaniem in het verkondigen van het grote geduld van de dienaar van God. Zijn beschikbaarheid in dienstbaarheid, zijn liefdewerk wat hem zelf het nodige ontnam, om de zorg van anderen te verlichten. Zijn constante gebed en zijn enorme devotie tot onze lieve Vrouw. Eerwaarde Wenceslaus Novakowski, O.F.M.Cap., een mede gevangene en banneling, staat in voor de verering die een ieder had voor Kalinowski. Hij stelde zelfs voor om een speciale aanroeping in de litanie van de Heiligen toe te voegen: “Door de gebeden van Kalinowski, verhoor ons Heer!”. Het was gedurende deze lange periode dat de dienaar van God, een geboren contemplatief, besloot zich aan te sluiten bij de Ongeschoeide Karmel, zoals Kardinaal Kakowski ons verzekert.

Gedurende de tien jaar van beproeving, lijden en ellende, waarbij de thermometer soms min 45 Celsius stond, sloeg Kalinowski nooit zijn gebed over; nu, echter, trad hij weer terug in het burgerlijk leven. Zijn paspoort werd terug gegeven, en in Warschau was hij weer instaat zijn geliefden te om armen. Hier werd hij de leermeester van prins August Czartoryski, en deze taak stond hem toe de jonge man buiten Polen te begeleiden. Na een bedevaart naar Czestochowa, vertrok hij naar Parijs op 23 oktober 1874, met ‘Gucio’, de bijnaam van prins August, en daar verbleven zij in het Hotel Lambert, in het centrum, waar de Czartoryskis alle Poolse politieke vluchtelingen hielpen en bijstonden.

Het volgende jaar bleef Kalinowski de ziel van zijn Gucio vormen; ondertussen begeleide hij hem naar Menton, daarna naar Neuilly, daar de longen van de prins aangetast waren. Kalinowski vervulde de rol van vader, moeder, broer, begeleider en bewaker. En hij deed dit met de meest grootste liefde voor de jongen, altijd aan zijn zijde verblijven en met een belangstelling welke groter was dan welke familie relatie dan ook. Kalinowski begeleide Gucio op zijn reizen naar Frankrijk, Polen en Italië. Onderwees hem met woord en voorbeeld volgens een stevig en minzaam Christelijk leven. Hij nam elke mogelijke voorzorgsmaatregel om zijn grenzen te versterken, zowel deugdzaam als lichamelijk. Ondertussen, hoewel naar buiten toe alles zo gewoon mogelijk doorging, stond zijn besluit vast om alles achter te laten en zichzelf totaal aan God aan te bieden in een religieus leven.

Het was tijdens de zomer van 1876, in Davos, Zwitserland, waar hij de prins begeleide, dat Kalinowski het definitieve besluit nam om een Ongeschoeide Karmeliet te worden, na hij alle aspecten van deze stap had overwogen. Hij werd geholpen door de gebeden van prinses Witoldowa Grocholska Czartoryska, een tante van Gucio en een Ongeschoeide Karmelietes, met de kloosternaam zuster Maria Xaverius van Jezus, wonend in Krakow-Wesola.

Het volgende jaar realiseerde hij zijn besluit. En gedurende de eerste dagen van juli, 1877, verliet Kalinowski het Hotel Lambert. En op de 14e van die maand stond hij aan de voeten van de provinciaal van de Ongeschoeide Karmelieten van Oostenrijk, waaronder Polen toen viel. Hij was verdrietig over zijn scheiding met prins August, welke later Don Bosco zou ontmoeten en Salesiaan werd (1887), en zijn leven op aarde snel afsloot, 1893, met een reputatie van heiligheid.

Ondertussen, op 15 juli, werd Kalinowski direct van Linz naar Graz gezonden, waar hij zijn noviciaat begon, op de leeftijd van 42, op 28 november 1877. Onder de nieuwe naam Rafaël van de Heilige Joseph. Hij deed zijn eerste professie op dezelfde dag van het volgende jaar, en vertrok hierna naar Raad (nu Gyor, Hongarije) voor zijn studie in filosofie en theologie, waar hij ook zijn eeuwige professie deed onder de zegen van de toekomstige Kardinaal Gotti, toen Generaal van de Orde (27 november 1881). Hij werd terug gezonden naar Polen, naar het enige afgelegen klooster voor Karmelieten welke de Orde open had kunnen houden in Czerna. Daar sloot hij zijn theologie studies af en werd hij tot priester gewijd, door Albin Dunajewski, Bisschop van Krakow, op 15 januari 1882. Onmiddellijk na zijn wijding werd hij aangesteld als novice meester, en in 1883 prior van het klooster van Czerna. Deze taak bleef hij bijna constant vervullen, hoewel hij ook diende als provinciaal counselor, biechtvader en overste van de Ongeschoeide Karmelietessen die vanuit het enige Klooster in Krakow-Wesola, een klooster waar verschillende comunitees bijeen woonden vanwege de onderdrukking, waren overgegaan naar een ander klooster in Karkow-Lobzow, 1875. Dankzij Pater Rafaëls belangstelling, onderstonden er later andere Teresiaanse Karmel kloosters in Przemysl, 1884 en in Leopoli, 1888. In 1900 werd Kalinowski de Provinciaal Overste van deze kloosters; hij gaf zich onvoorwaardelijk aan de zusters van de Orde, zodat, in de zuivere lijn van de Teresiaanse Karmel traditie, zij het oorspronkelijk gebed van de Kerk konden bewaren, ten goede van de mensen en de gehele wereld.

Toen de laatste Ongeschoeide Karmel broeders van de voormalige kloosters in Berdyczow, Rusland en in Lublin op uitsterven stonden, stichtte pater Rafaël een nieuw klooster in Wadowice, 1892. Hij bouwde er ook een kerk, welke snel uitgroeide tot een actief centrum van spiritualiteit, plus een seminarie voor het bevorderen van roepingen. Daar stond hij waarborg voor een serieuze vorming en trouw aan de Karmel spiritualiteit. Hij stierf een heilige dood op 15 november 1907 in Wadowice, hij werd begraven op de begraafplaats van Czerna, Krakow.

Het geestelijke leven van pater Rafaël werd gekenmerkt door consequentie. Vanaf het moment dat hij zijn roeping tot de Karmel ontdekte, dank zij zijn ascetische voorbereidingen, was hij een vastbesloten en overtuigde Ongeschoeide Karmeliet, een man van God, bezorgd om het constant verenigd met God willen zijn. Tijdgenoten die een beschrijving van hem maken, komen overeen dat hij een ‘levend gebed’ was en hij nooit zijn geloof vergat; “Onze eerste taak in de Karmel is spreken met God, in al onze daden”. Om deze reden wenste hij een verspreiding van de Teresiaanse Karmel in Polen, gebouwd op een solide basis van werkelijk gebed, gevoed en bewaard door gestrengheid, stilte en aanmaning, werkelijkheden die hij zelf als eerste doorleefde.

Een ander element van de Karmel spiritualiteit van welke hij wenste dat zijn leven zou doordringen, en welke hij uitdrukkelijk aanraadde aan de broeders en zusters, was de intimiteit met onze Moeder Maria. Hij vereerde haar en had haar lief als de Moeder en de ‘stichteres’ van de Orde; hij streed ernaar altijd bewust te zijn van haar aanwezigheid en te werken voor haar heerlijkheid. “Voor Karmelieten en Karmelietessen, zei hij, is het eren van de meest Heilige Maagd een prioriteit”.

En wij tonen Haar onze liefde door haar daden na te volgen, speciaal haar nederigheid en haar aanmaning tot gebed…..onze ogen moeten altijd op Haar gericht zijn; al onze affecties moeten naar Haar gericht zijn. Wij moeten altijd de gedachte behouden van haar vrucht en streven om altijd trouw te zijn aan Haar. Uitingen van zijn devotie tot Maria zijn twee boekenleggers, met op de één; Maria altijd en in alles, Krakow, 1901, een kinderlijke uitnodiging om alles te doen onder het welziend oog van Maria, en uit liefde voor Haar. En op de andere; De verering van de Moeder Gods in de Poolse Karmel, Leopoli-Warsaw, 1905. De grote ijver die hij investeerde in het verspreiden van de Derde Orde, als ook de Broederschap van het Scapulier, in Polen en Roemenie, maakte hem een ware apostel van onze Moeder Gods. Hij werd niet moe deze devotie aan te raden zo vaak als hij kon aan zij die bij hem kwamen voor spirituele begeleiding. Hij was een veel bezochte biechtvader, en een wijs man in het vormen van zielen.

Mensen kwamen van heinde en verre, getrokken door zijn heiligheid en door zijn voorzichtige en heilige begeleiding. Bereikbaar voor iedereen, had hij de woorden van Paulus genomen voor zijn geestelijke leiding; “Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, vertrouwen, (Gal 5,22) En zijn woorden prentte sereniteit en vrede in. Ook bij niet Katholieken, voor wie hij altijd een apostolische interesse had. Zo herinnerde hij aan zijn broeders, dat de Orde in Polen een speciale missie had, om te bidden en te werken voor de eenheid in de Kerk en voor de bekering van Rusland. Dit had hij geleerd van de geschiedenis van de oorspronkelijke missie van de Teresiaanse Karmel in Polen en dat zocht hij te bewerkstellingen door zichzelf op te offeren, zodat er maar één kudde was onder één Herder.

Zoals boven genoemd, genoten de Ongeschoeide Karmelietessen van zijn speciale zorg en aandacht, ook door de taak welke hij opgelegd had gekregen door zijn superieuren. Hij kende ze elk persoonlijk, en begeleide ze met zachte gestrengheid in de geest van de Heilige Teresa van Jezus en van de eerste Oversten van de Poolse Karmel. Om deze reden ook, door samenwerking met de zusters, verzamelde en publiceerde hij de geschiedenis van de oude Teresiaanse Kloosters van het land; Kiasztory Karmelitanek Bosych w Polsce, na Litwe i Rusi (Monasteries of the Discalced Carmelite nuns in Poland, Lithuania and Russia, 4 voll., Krakow 1900-1904.

Zie ook het gebed van de Heilige bij Gebeden

Heilig verklaard door Paus Johannes Paulus II, te Krakow 1991
Zijn feestdag is op 15 november.

top

Een reactie plaatsen

1 reactie

  1. Hola, soy María Cristina de Jesús Ocds, de Argentina. Quisiera saber, si es posible, la fecha en que se celebra a Margarita María de los Ángeles (Ver SANTOS T/M 1850 la primera) es santa o beata y cuál sería su apellido en español. Estoy mirando el Oficio Propio del Carmelo Teresiano y no la puedo ubicar. Muchas gracias.
    En comunión de oraciones

    Beantwoorden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

  • Welkom

    (klik foto)

  • Index Heiligen – volg. geboorte jaar

    Heiligen t/m1600:

    Elia
    Jeanne van Toulouse
    Johannes Soreth
    Teresa van Jezus
    Johannes van het Kruis
    Anna van St. Bartholomeus
    Maria Magdalena de Pazzi

    Heiligen t/m1850

    Maria Margareta van de Engelen
    Maria van de Engelen
    Karmelietessen van Compiègne
    Rafaël van de Heilige Joseph

    Heiligen t/m1900

    Thérèse van het Kind Jezus
    Maria Pilar, Teresia en Maria Angeles
    Elisabeth van de Drieeenheid
    Titus Brandsma
    Teresia Benedicta van het Kruis
    Maria Maravillas van Jezus

    Heiligen vanaf 1900

    Teresa de Jesús

  • Afbeeldingen (klik foto)

  • “Breng mij Heer naar het dal van de Kerit”

    (klik foto)

  • Tot het hart

    Voor ons is God niet simpelweg het Woord. In de Sacramenten geeft Hij zichzelf persoonlijk aan ons, door middel van fysieke werkelijkheden. In de kern van onze relatie met God en onze levenswijze staat de Eucharistie. Dat oprecht vieren, en zo Christus persoonlijk ontmoeten, moet de kern van al onze dagen zijn.
    P. Benedictus XVI

  • Stuur een kaart

    Stuur een kaart

    klik foto

  • Tot het hart

    Jezus, ik dank U om mijn roeping. Zeg mij wat dit vraagt aan weder liefde. Leer mij in het hart van Uw Kerk als Maria te zijn: levend vanuit het gebed, beeld van Uw goedheid, dienend in, niet van de wereld. Geef al mijn broeders en zusters een blij geloof, fris als de Karmelhoogte en trouw in moeilijke uren. Maar ons één en geef dat wij U eens mogen zien van aangezicht tot aangezicht. Amen.

  • (klik foto)

  • Tot het hart

    We kunnen van ons hart een bidplaats maken waar we ons nu en dan terugtrekken om even met God samen te zijn, in stille vrede, zonder pretentie, en met een hart dat bemint.

  • Twitter Updates

  • Tot het hart

    „Het leven van een karmelietes is een communie met God van de morgen tot de avond en van de avond tot de morgen. Als onze cellen en panden niet vol waren van Hem, wat zouden ze leeg zijn. Maar we zien Hem door alles heen. We dragen Hem in ons. Ons leven is een vooruitbeleven van de hemel” (Br. 46).
    Z. Elisabeth van de Drie-eenheid

  • Getijdengebed


    (klik foto)

    gebruikersnaam: getijdengebed
    wachtwoord: brevier

  • december 2016
    Z M D W D V Z
    « Nov    
     123
    45678910
    11121314151617
    18192021222324
    25262728293031
  • Rozenkrans


    (klik foto)

  • Tot het hart

    "Neem niets als waarheid aan wat geen liefde heeft. En neem ook niets aan als liefde wat geen waarheid bezit, het ene zonder het andere verandert in een leugen, een vernietigende leugen "
    H. Teresa Benedicta van het Kruis

  • Enter your email address to subscribe to this blog and receive notifications of new posts by email.

    Doe mee met 697 andere volgers

  • Follow Ordo Carmelitarum Discalceatorum Secularis on WordPress.com
  • Radio Maria


    (klik foto)

%d bloggers op de volgende wijze: